Archive

tijdschrift

fish-net-13262788Vorige maand verscheen het nieuwste nummer van DW B. Het bevat een dossier – of ‘focus’ zoals de redactie het noemt – over de notie van het vangnet in de literatuur:

‘Hoe schrijven zonder vangnet, zonder ironische distantie, zonder metafictionele commentaar die alle kritiek vooraf de mond snoert? Hoe een tekst maken waarin een risico wordt genomen, waarin “de lezer het geluk wordt gegund getuige te zijn van iets dat echt is, gevaarlijk, werkelijk”, zoals samenstellers Christoph van Gerrewey en Daniël Rovers het formuleren? Die wens komt vaak neer op het schrijven van authentieke, urgente ik-teksten, hoe subjectief die termen ook mogen zijn.’

Dit schrijft hoofdredacteur Hugo Bousset in het redactioneel. De focus in dit nummer ligt dus op urgente ik-teksten, teksten die gaan om het leven van de schrijver, ‘wat niet wil zeggen dat er pure autobiografie wordt bedreven’ voegen Van Gerrewey en Rovers meteen toe. Wat bepaalt volgens hen de urgentie van een (ik-)tekst? Enerzijds het verlangen van de schrijver ‘om alles wat werkelijke belangrijk en begerenswaardig en intens is te verwoorden’. Anderzijds gaat het om teksten die op een bepaalde manier onaf zijn, die de lezer de vrijheid gunnen ‘zich op een hoogsteigen en niet vooraf bepaalde manier tot de tekst te verhouden’.

De focus biedt voorbeelden van zulke teksten o.a. van de hand van Patricia de Martelaere (over Rousseau’s Bekentenissen), Zadie Smith (over vreugde, iets anders dan plezier, vertaald door Christoph van Gerrewey), Daniël Robberechts (over het (niet) roken van een sigaret), David Foster Wallace (een vertaling van ‘All that’ door Iannis Goerlandt & Daniël Rovers) en Charles Baudelaire (fragmenten uit diens ‘Journaux intimes’, vertaald door Rokus Hofstede).

Om een mooie notitie uit DW  B van Baudelaire te citeren waarin het ‘werkelijk belangrijke’ benoemd wordt:

13. Haast ons hele leven staat in dienst van het bevredigen van de nieuwsgierigheid naar onnozelheden. Aan de andere kant zijn er dingen die onze nieuwsgierigheid in de hoogste mate zouden moeten prikkelen en waar we, te oordelen naar ons dagelijks doen en laten, volstrekt onverschillig tegenover staan.

Waar zijn onze dode vrienden?

Waarom zijn wij hier?

Komen wij ergens vandaan?

Wat is vrijheid?

Kan vrijheid samengaan met de wet van de Voorzienigheid?

Is het aantal zielen eindig of oneindig?

En het aantal bewoonbare werelden?

Enz., enz.

Voor dit nummer schreef ik het essay ‘Undo/redo: poëzie als herinneren en vergeten’ over Astrid Lampe’s prachtige bundel Rouw met diertjes waarin over rouw geschreven wordt als iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt.

Achteraf gezien biedt de notie van het vangnet met betrekking tot deze bundel een passende invalshoek: in het eerste deel van de bundel, het gelijknamige ‘rouw met diertjes’ lijkt er geen vangnet te zijn, alleen onthechting, en als er ooit een vangnet was dan voelt het niet langer veilig (‘het ons bekende is me vreemd’). In de andere twee delen echter, getiteld ‘Dronken jol’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver’, is er zeer nadrukkelijk een vangnet aanwezig; deze twee delen – die Lampe treffend ‘gesamplede bloemlezingen’ noemde – zijn ontstaan uit het knippen en plakken van regels uit twee bestaande bloemlezingen, namelijk Geboorte van het vers (1994) en Iets dat te groot is om te zien (1991). In hoeverre wordt de genoemde vrijheid van de lezer beperkt of juist vergroot door dit ‘vangnet’ van bloemlezingen uit respectievelijk de moderne Franse en moderne Amerikaanse poëzie?

Verder in dit nummer van DW B: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers, tekeningen van de IJslandse kunstenaar Sigtryggur Berg Sigmarsson en besprekingen van De beloofde dinsdag de nieuwste poëziebundel van Martijn den Ouden (door Jeroen Dera), Sjeumig van Pepijn Lanen (door Emy Koopman en Lisanne Snelders) en de jongste afleveringen van de literaire tijdschriften Deux ex Machina, De Gids en nY (door Sven Vitse).

COVER dw b 2014 2

Advertisements
DSZ no. 23-24-028
Nieuwe aandacht voor het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur

Het tijdschrift De Schone Zakdoek waart als een mythe door de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Niet alleen omdat De Schone Zakdoek het enige Nederlandse surrealistische tijdschrift was, maar ook, of eigenlijk vooral, omdat een nummer van het tijdschrift schaars goed was. Het verscheen namelijk tussen 1941 en 1944 in de bijzondere oplage van één exemplaar.

 

De keuze voor de minimale oplage was een manier van de oprichters Gertrude Pape en Theo van Baaren om de tijdens de bezetting ingestelde censuur te omzeilen: omdat het verscheen in één exemplaar kon het simpelweg niet als officiële publicatie genoteerd worden. De Schone Zakdoek ontweek daarmee de verplichte registratie bij de Kultuurkamer, het door de bezetters ingestelde controle-instituut. De oplage van één exemplaar bracht echter nog een ander, inhoudelijk voordeel met zich mee. Het werd namelijk mogelijk om uniek beeldmateriaal zoals handgemaakte collages, foto’s en tekeningen op te nemen. Ondanks de beperkte omstandigheden en middelen konden Pape en Van Baaren op deze manier een zeer gevarieerd, fullcolour tijdschrift aanbieden, waarbij woord en beeld naast elkaar op de pagina stonden.

 

Gedurende het driejarige bestaan van het tijdschrift hebben bijna veertig verschillende mensen meegewerkt. De belangrijkste medewerkers die ook na de oorlog nog zouden publiceren, naast de harde kern van Van Baaren en Pape, waren: dichter Ad den Besten, dichter-schrijver C. Buddingh’, dichter-tekenaar Chris J. van Geel, dichter-schrijver L. Th. Lehmann en schrijver-fotograaf-filmmaker E. van Moerkerken (pseudoniem Eric Terduyn).

De enige exemplaren liggen tot de dag van vandaag veilig opgeborgen in de klimaatkasten van het Letterkundig Museum.

 

Begin jaren ’50 had Cees Buddingh’, oud-medewerker van het tijdschrift, het plan opgevat om een bloemlezing van De Schone Zakdoek uit te brengen. Het bleef echter bij een plan. Het lukte hem niet de financiën rond te krijgen. “En misschien is dat ook maar het beste,” schrijft hij later in Buddingh’ van A tot Z. Ontmoetingen met Nederlandse en Vlaamse letterkundigen (1990), “legenden moet je niet tot werkelijkheid proberen te maken. Er zijn er al zo weinig.”

 

In 1981 kon een breder publiek uiteindelijk toch een indruk krijgen van het tijdschrift. In dit jaar verscheen een bescheiden zwart-wit bloemlezing uit de verschillende jaargangen van de hand van oprichter Theo van Baaren. De bloemlezing was een dankbetuiging aan de literaire vrienden van Van Baren en Pape die tijdens de oorlog samenkwamen en die het maken van De Schone Zakdoek mogelijk maakten.

 

Vorige week zaterdag 22 maart werd in de Nicolaikerk te Utrecht nummer 36/37 van De Schone Zakdoek gepresenteerd. Dit nummer werd gemaakt door vijfentwintig (voornamelijk Utrechtse) tekenaars. Hiermee geven zij – zeventig jaar na dato – een eerbetoon het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur en wel op een manier die recht wil doen aan het kleurige en veelzijdige materiaal dat ieder nummer van De Schone Zakdoek rijk was. Ook dit nummer verscheen namelijk, jawel, in één exemplaar. Dit ene exemplaar is inmiddels alweer onderweg naar een klimaatkast in het Letterkundig Museum, maar niet voordat het volledig gedigitaliseerd werd. U kunt het nieuwe nummer van De Schone Zakdoek bekijken op de weblog:

http://schonezakdoek.blogspot.nl

 

Kijkt u vooral ook eens naar de eerdere stukken die verschenen op deze weblog waaronder foto’s van de omslagen van De Schone Zakdoek uit de eerste twee jaren, collages van Theo van Baaren, tekeningen van Gertrude Pape en één van de zeer jonge Gerdi Wagenaar, dochter van de kunstenaar Willy Wagenaar.

 

Mocht u geïnteresseerd zijn geraakt in dit unieke tijdschrift en meer willen zien: op het moment loopt in het centraal museum de expositie Surreële Werelden waarin tevens aandacht wordt besteed aan De Schone Zakdoek.

 

 

Voor uw lichamelijke verkoudheid

een schone zakdoek

Voor uw geestelijke verkoudheid

DE SCHONE ZAKDOEK

(motto uit De Schone Zakdoek, nr.3)

 

***

Afbeelding: collage van Theo van Baaren uit De Schone Zakdoek 23-24.

Deze column verscheen eerder op Neder-L

632-687In november 1958 verscheen, in eigen beheer, het eerste nummer van het literaire tijdschrift Barbarber. De oplage bestond uit 100 gestencilde nummers en de redactie had het goedkoopste en dunste papier gebruikt om de kosten tot een minimum te beperken. De omslag werd gesierd door allerhande gemeenplaatsen zoals ‘zeg dat wel’, ‘zo is dat’, ‘de kop is er af’ en ‘wie zal het zeggen’ waarmee de relativerende houding van het tijdschrift duidelijk werd. Barbarber had niet de behoefte om de ‘oude lyriek’ van de Vijftigers met veel lawaai af te schaffen, zij negeerde haar gewoon.

De drie redacteuren G. Brands, K. Schippers en J. Bernlef besloten het eerste nummer rond te sturen naar verschillende prominente literatoren en kunstenaars, maar ondanks deze publiciteitsstunt vond het eerste nummer nauwelijks weerklank. Wanneer men het eerste nummer van Barbarber nu in handen heeft, is dit goed voor te stellen: de onbenulligheid van de uitvoering doet meer denken aan het uiterlijk van een plaatselijk schoolkrantje dan aan een tijdschrift met een vaste plek in ieder Nederlandse literatuurgeschiedenis. Het is dan ook vanaf het verschijnen van het tweede nummer geweest, wanneer Barbarber zijn kenmerkende formaat van een in de lengte gevouwen foliovel krijgt, dat het de aandacht begint te trekken.

Oud-Barbarber-redacteur K. Schippers is te gast tijdens het festival voor het gesproken woord De geest moet waaien dat van 23 tot en met 26 mei plaatsvindt in Arnhem. Een van de rode lijnen in deze editie van het festival is de vraag hoe het nieuwe te herkennen. Over deze vraag zal Schippers met Peter Verhelst op vrijdag 24 mei spreken. Opvallend is de manier waarop de organisatie de vraag naar het nieuwe benadert. Het lijkt niet alleen een vraag die wordt gericht aan de auteurs op het podium maar die ook direct –in een soort zelfhulp-jargon– aan het publiek wordt gesteld. Zo lezen we in de aankondigingstekst:

Waar moeten we ons tegen afzetten. Het nieuwe dwong altijd het oude ten onder te gaan, maar is dat nog wel zo? Is symbolische vadermoord nog wel mogelijk?’

Een manier om het nieuwe te begrijpen is door het te bezien in tegenstelling tot het oude. Een schrijver kan zich afzetten tegen zijn voorganger en hem symbolisch vermoorden door middel van een ronkend manifest bijvoorbeeld, of, zoals het tijdschrift Gard Sivik deed in de jaren ’60, een afbeelding op de omslag plaatsen van een verkeersbord waarop het getal 50 is doorgestreept. De ontstaansgeschiedenis van Barbarber laat een andere manier zien: je kunt ook om de dominante vader heen manouvreren, hem simpelweg negeren. Die negatie maakt het onderscheid tussen nieuw en oud minder programmatisch. Het onderwerp waarover K. Schippers, als fervent ready made kunstenaar, ongetwijfeld nog andere interessante ideeën heeft. Juist in de experimentele omgang met bestaande (‘oude’) materialen zit voor de ready made kunstenaar immers het nieuwe verborgen.

Op dit punt zou het verschil tussen oudere en nieuwere schrijvers nog wel eens zichtbaar kunnen worden. Waar bij Schippers de zoektocht naar het nieuwe leidde tot experiment en nieuwe uitdrukkingsvormen, lijkt de huidige zoektocht naar het nieuwe vooral gelegen in de manier waarop iemand zichzelf als auteur onderscheidend presenteert. Een opvatting die doorklinkt in de volgende vraag van de festival-organisatie:

De grote rol die de historische avant garde en De Stijl hebben gekregen in de Nederlandse kunsthistorie hebben zij vooral te danken aan hun eigen publiciteitscampagnes.

Hoe val je op?’

Het idee van de Barbarber-redactie om het eerste nummer gratis te verspreiden onder literatuur- en kunstliefhebbers klinkt meer dan vijftig jaar later nog steeds als een goede publiciteitsactie (overigens wordt zij door de redactie nog eens aangehaald in Barbarber  6 waarin een lijst is opgenomen van ‘diegenen die WEL het eerste nummer van Barbarber ontvingen doch die tot nu toe GEEN abonnement namen’). Maar publiciteit alleen was niet genoeg. Er moest een experimentele vorm aan te pas komen om het blad ook daadwerkelijk te laten opvallen.

De vraag naar het nieuwe blijkt uiteindelijk vooral een vraag naar het experiment en waar dat tegenwoordig gezocht en gevonden kan worden. Misschien wel in het ‘oude’ tijdschrift Barbarber?

De geest moet waaien

Festival voor het gesproken woord
van 23 t/m 26 mei in Arnhem
Gesprek tussen K. Schippers en Peter Verhelst over avant-garde en hoe het nieuwe te herkennen, onder leiding van Jannah Loontjes op vrijdag 24 mei. Meer informatie over het programma op http://www.wintertuin.nl/festivals/de-geest-moet-waaien/
Deze blog verscheen eerder op Neder-L.

PeerJ

‘Een echte vernieuwing in de publicatiestructuur kan volgens mij alleen als er nog een andere maat is op basis waarvan het wetenschappelijke succes van de onderzoeker wordt gemeten. Waarom zouden de ogen zo rigide op de publicatielijst gericht moeten blijven? Waarom de vele andere taken die de academicus verricht buiten beschouwing laten, zoals het organiseren van congressen, het houden van lezingen en presentaties, het leiden van workshops of expertmeetings, het begeleiden van promovendi of bijvoorbeeld het schrijven van een review?’ [fragment]

Op Neder-L verscheen een korte reactie van mijn hand over de toekomst van het wetenschappelijke tijdschrift.