Archive

conference

Registration is now open for the Open University’s conference ‘The Icon as Cultural Model: Past, Present and Future‘ (25-26 January, 2018). See the website for more information on the program, speakers and how to register. Hope to see you there!

Flyer

 

 

 

Advertisements
Mona Lisa Graffiti 7
Op donderdag 25 en vrijdag 26 januari 2018 organiseert de Open Universiteit het interdisciplinaire congres ‘The Icon as Cultural Model: Past, Present and Future’.
De Call for Papers staat nu online! Kunsthistorici, filosofen, mediawetenschappers, letterkundigen, cultuurhistorici: tot 1 juli kun je een abstract for papers insturen!
.

Theme description

Journalists, artists and scholars, among others, tend to refer to iconic events or images from the past in order to better understand present-day developments. For example, in the wake of the American elections media repeatedly referred to the iconic ‘years of crisis’ of the thirties of the last century. Also, they recalled George Orwell’s iconic depiction of a dystopian society from his novel 1984 to contextualize the use of ‘alternative facts’. In this respect, the icon functions as a model that generates cultural meaning by connecting past and present. But the icon not only shapes our (collective) image of the present, nor does it merely re-evaluate our image of the past. It also opens up potential scenarios for the future – be it brilliant or gloomy.

The making of specific icons is a much-studied topic in cultural studies, literary studies, art history and even in the history of science. However, theoretical and/or synthesizing studies on how the icon functions as a cultural model from which we can learn how to act or perform are scarce. The conference ‘The Icon as Cultural Model’ wants to fill this gap.

First, it will do so by addressing different manifestations of the icon. Traditionally understood as a static visual image, the concept of the icon is also used to refer to:

  • a specific period (e.g. the thirties or sixties, the Enlightenment or Golden Age);
  • a specific place (e.g. Waterloo or Woodstock, cities like Amsterdam, Rome or New York, or imaginary places such as Orwell’s ‘Oceania’);
  • a specific person (e.g. Christ, Michelangelo, Mae West);
  • a specific phrase (such as Descartes’ ‘I think therefore I am’ or Clausewitz’ ‘War is the continuation of politics by other means’).

Static as the icon may be, its evaluation by different groups (artists, scholars, politicians) can change through time. Recently, scholars have shown an increased interest in phenomena linked to the theme of the icon: such as fan culture and celebrities, artists’ self-representation, cultural marketing, and processes of canonisation. This poses the question why at present the search, and explication of, cultural models occurs to be highly relevant. By posing this question the conference’s second aim is to encourage reflection on how the icon has functioned and still functions as cultural model (and how it can be studied as such).

In addressing the icon as cultural model the conference explicitly wishes to bring together scholars from various disciplines such as art history, literary studies, history and philosophy. In this way the conference wishes to offer room for joint interdisciplinary reflection on the question how the study of cultural models may contribute to our understanding of the dynamics of culture in general.

Paper submissions

We welcome abstracts for papers (20 minutes max. excluding discussion). Contributions can address, but are by no means limited to the following aspects:

  • How do periodical concepts like the ‘Golden Age’, ‘Enlightenment’ or ‘Renaissance’ function as icons? How does the evaluation of these concepts by artists and/or scholars change through time? And how can we study this shifting evaluation?
  • How do both general spatial notions such as the ‘city’ (as opposed to the ‘country’ or to ‘nature’) and specific places function as models for writers, philosophers and artists?
  • How do specific historical events become iconic? Who attributes power to these events? And how, why, and by whom are their cultural meanings rewritten?
  • How do artifacts such as novels, poems, paintings, sculptures, and films construct iconic images of the past and/or future? How can we study iconic representations within these artifacts?
  • How, and for whom, do certain phrases from philosophers, politicians or artists function as icons? What are the contexts that make phrases iconic?
  • How do specific historical persons function as icons in art, philosophy and scholarship? And how can we study these cases in the broader context of the study of cultural models?

Note: all papers’ conclusions should include a statement on how cultural icons may contribute to an increased understanding of the dynamics of culture in general.

Abstracts of papers consist of approx. 250 words and should include the name of the speaker, affiliation, full contact address (including email), the title, and the summary of the paper.

Practical information

Deadline for abstracts is 1st of July, 2017.

A notification of acceptance will be sent no later than August 15th, 2017.

Abstracts can be sent to Marieke Winkler via iconsconference@ou.nl.

Papers will be selected for publishing in the conference proceedings.

The conference takes place at Utrecht, the Netherlands.

See also the website: https://www.ou.nl/web/the-icon-as-cultural-model.

veldwerk

‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.

In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpunt voor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?

Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.

Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?

Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.

Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.

 

Deze column is geschreven voor de Veldwerk-rubriek van de Wintertuin en verscheen eerder op Wintertuin heeft een verhaal.

veldwerk

Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

 

Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.

 

mdrn

In the little and smartly designed booklet Modern Times. Literary Change (2013) written by the members of the Leuven based research group MDRN it is stated that literary history is again at the heart of literary studies. As such it responds to a need felt both inside and outside academia for new historical accounts of literature. Yet, literary history remains a difficult genre: ‘While there is a consensus on its necessity, there is arguably no agreement on how to write it.’ (p.9)

In the ‘ABC of Literary History’, the manifesto that opens the book, several reasons are addressed that make the writing of literary history such a difficult task. One of the reasons is the fact that our conceptions of literature – as well as the way we use literary texts and appreciate them – are always linked to the social-historical and cultural context in which we are working. This is why our views and ideas on literature change all the time and why literary historiography was, and still is, ‘more norm-governed and more normative then we usually like to admit.’ (p.11)

Because there is nothing inherent to literature that determines what literature is (and what it is not), literature is not something that simply ‘exists’, according to the writers, but something that ‘becomes’. Therefore, Modern Times. Literary Change argues for a functionalistic approach. That is, an approach in which we no longer need to study literature’s properties (what is literature?), but its functionalities: how do people make use of literature? To what end? And what is the effect of the different uses of literature?

The proposed direction bears resemblance to the view expressed for example by Robert Hodge in Literature as Discourse (1990). In this book Hodge states that if notions like literature or history ‘cannot be accepted as absolute truths, at least they can be usefully studied as social facts.’ (p.17) Bearing this conviction in mind the attention of the literary historian drifts from literature to literary strategies, opening up the scope of literary studies towards the analysis of the discourse and practices of non-specialized and non-highbrow readers, to the study of modern rhetoric or peripheral ‘literary’ genres such as the speech or interview, or to the way authors, through their writings, reflect on new technologies that change our perception of time and place, of sound and vision. At least, these are the examples presented in Modern Times. Literary Change, but as the writers of the ‘ABC of Literary History’ add in the last sentence of their manifesto: ‘There might be many’.

It is likely that one can encounter some challenging proposals and demonstrations of concrete new models of writing literary history during the MDRN Writing Literary History Conference that will take place from the 14th till the 16th of September. I am already looking forward!

See here for the Call for Papers. Deadline 4th of May.