Archive

universiteit

24 Mammoetwet spotprent gecomprimeerd mozaiek_0

“Mijn opa werd geboren in 1900. Dat maakte het erg makkelijk zijn leeftijd te onthouden – hoewel het niet zoveel uitmaakte hoe oud hij precies was want voor mij was opa Winkler altijd al stokoud. Hij overleed in 1994. Ik was tien. Vandaag had ik een afspraak met meneer Van Hulst, de oudste bewoner van het verzorgingstehuis waar een goede vriend van mij fysiotherapeut is. Meneer Van Hulst is geboren in 1911. Dat betekent dat hij meer dan drie keer zo oud is als ik nu ben. Ik kan mij niet voorstellen hoe oud dat is. Het idee dat iemand al langer dan een eeuw op de aarde rondloopt is amper te bevatten.

Nog op 95-jarige leeftijd schreef Van Hulst een artikel over de dichter Albert Verwey. Hierin betoogt hij aan de hand van vele passages uit Verweys gedichten waarin naar ‘het Boek’ wordt verwezen dat Verwey zijn religieuze opvoeding nooit verloochend heeft. Een nogal tegendraadse opvatting. De Tachtigers, waartoe Verwey behoorde, zijn immers de boeken ingegaan als de dichters die Schoonheid op de plaats van God zetten en de dichter tot Christusfiguur maakten. Toen Van Hulst vernam dat er op dit moment door een veel jongere neerlandicus onderzoek wordt gedaan naar Verwey, veerde hij op in zijn rolstoel. Ik kreeg het artikel thuisbezorgd en moest maar eens komen praten.

Read More

Advertisements

johannawesterdijk‘100 vrouwen erbij als hoogleraar’ kopte de Volkskrant afgelopen donderdag op de voorpagina. Van de 4500 hoogleraren die Nederland op het moment telt zijn er 750 vrouw. Dat is minder dan 1 op 5. Met die verhouding is Nederland internationaal ‘hekkensluiter’, vermeldt de krant. Minister Jet Bussemaker wil dit graag veranderen en stelt 5 miljoen beschikbaar voor het benoemen van honderd extra vrouwelijke hoogleraren in 2017. Aan het einde van het jaar zou iedere faculteit in Nederland zo een vrouwelijke hoogleraar méér moeten tellen.

De maatregel is minder spectaculair dan de krantenkop doet vermoeden, zo merkt ook Ger Groot op in Trouw dit weekend. Het gaat namelijk om het bevorderen van ‘geschikte vrouwelijke universitair hoofddocenten’ tot hoogleraar: ‘Er komen dus niet meer vrouwen bij aan de universiteit. Een aantal ervan krijgt alleen een hogere rang’. De maatregel camoufleert volgens hem een veel fundamenteler probleem waar de Nederlandse universiteiten mee kampen, en dat is het gebrek aan doorstroom: ‘de universiteit zit voorlopig nog tjokvol vast personeel – en als er eens iemand vertrekt of met pensioen gaat, wordt zijn plaats wegbezuinigd’. Ook Sijbolt Noorda, oud-rector van de Universiteit van Amsterdam en oud-voorzitter van de VSNU (waar de cijfers over personele bezetting vandaan komen) benadrukt dit punt in de Volkskrant. De man/vrouw-verhoudingen zijn scheef, onderstreept hij, maar men moet niet vergeten dat ‘de hele wetenschappelijke doorstroom is gestagneerd door jarenlange bezuinigingen. Iedereen op de universiteit wacht op promotie, mannen net zo goed als vrouwen’.

In het licht van dit fundamentele probleem zou de maatregel van Bussemaker dus ook kunnen worden gezien als aanzet (hoe klein ook) om de doorstroom te stimuleren (zij het voor een specifieke groep ondervertegenwoordigde wetenschappers). Maar zo ziet Ger Groot het niet. Hij bestempelt Bussemakers 5 miljoen niet alleen als een ‘schijncadeautje’, maar ziet het ook als een overtreding van een van de basisregels van het universitaire spel. Bij aanstellingen van hoogleraren zou ‘de vraag naar ras, geslacht, geloof of nationaliteit’ er niet toe moeten doen, schrijft hij, alleen ‘wetenschappelijke en educatieve uitnemendheid’ mag doorslaggevend zijn voor een benoeming.

Nu denk ik dat er geen wetenschapper is die het hier mee oneens zal zijn, wetenschappelijke en educatieve uitnemendheid moet doorslaggevend zijn. Toch wringt er iets in Groots conclusie, want waarom zou het bevorderen van vrouwen tot hoogleraar inhouden dat deze basisregel met voeten wordt getreden? Met andere woorden, hoe kan het dat de zinsnede ‘bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit naar een vrouw’ impliceert dat kwaliteit als belangrijkste criterium wordt veronachtzaamd? Wat is er mis met diversiteit op de werkvloer als extra doelstelling (zo wijst Robert Vonk in reactie op Ger Groot op het feit dat de ondervertegenwoordiging ook geldt voor wetenschappers met een migratieachtergrond)? Illustreert het gemak waarmee de koppeling wordt gemaakt tussen quotum en kwaliteit niet juist dat het hier om veel meer gaat dan een schijncadeautje?

***

Afbeelding: Johanna Westerdijk (1883-1961), eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland, met mannen en bier. Fotograaf: Nico Schuitvlot. 

veldwerk

‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.

In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpunt voor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?

Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.

Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?

Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.

Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.

 

Deze column is geschreven voor de Veldwerk-rubriek van de Wintertuin en verscheen eerder op Wintertuin heeft een verhaal.

samenwerking

Woensdag aanstaande, 21 september, organiseert PLISA (Platform voor Literatuur en Samenleving) in Brussel een bijeenkomst waarin de samenwerking tussen literatuurkritiek, literatuuronderwijs en literatuuronderzoek centraal staat. De toon is strijdbaar:

Het is tijd voor actie, ook in het veld van de literatuur. Het belang van het geschreven woord hoeft niet meer te worden aangetoond. Het is er gewoon: als vermaak, als schoonheid, als kennis, als vorm van engagement of als nutzondernut. Maar wat verloren is gegaan is de natuurlijke band tussen het onderwijs, de literaire kritiek, de academische studie. Elk van die domeinen ging zijn eigen weg en mede daardoor dreigt de relevantie van literatuur niet langer als evident te worden ervaren.

Tijdens de bijeenkomst tonen de verschillende domeinen wat zij elkaar te bieden hebben. Het doel is uiteindelijk om tot nieuwe voorstellen te komen voor samenwerking tussen kritiek, onderwijs en onderzoek. Ik ben alvast zeer benieuwd naar de voorbeelden van goede praktijken die vertegenwoordigers van de verschillende domeinen uit Vlaanderen zullen tonen.

In november volgt – ook bij deBuren in Brussel – de eerste Dag van de literatuurkritiek waarbij tevens de band met het literatuuronderwijs aangehaald wordt. Centraal onderwerp van deze dag is de vraag hoe literatuurkritiek ingezet kan worden in het middelbaar onderwijs.

 

  • Bekijk hier het programma van de PLISA-bijeenkomst.
  • Bekijk hier het programma van de eerste Dag van de literatuurkritiek.

 

 

Twee weken geleden was de laatste bijeenkomst van de Huizinga-onderwijsreeks ‘Science, scholarship and society’ waarin de reflectie op de geschiedenis van de geesteswetenschappen centraal stond en de vraag hoe we, ondanks de grote fragmentatie binnen de humaniora en de grote verscheidenheid aan onderzoeksmethoden, toch tot een gemeenschappelijke reflectie kunnen komen op de (maatschappelijke) waarde van de geesteswetenschappen.

Gastspreker voor deze laatste bijeenkomst was Wijnand Mijnhardt, hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en één van de auteurs van het spraakmakende position paper Waarom de wetenschap niet werkt zoals zou moeten, en wat daar aan te doen is dat afgelopen september verscheen.

In zijn lezing ging Mijnhardt uitgebreid in op de verhouding tussen wetenschap en maatschappij en betoogde hij dat de geesteswetenschapper (weer) meer moet gaan kijken naar de vragen die in de samenleving spelen. Volgens hem worden studenten in de humaniora op het moment te eenzijdig opgeleid tot cultuurwetenschapper. Zeker researchmasterstudenten worden aan alle kanten doordrongen van het idee dat hun toekomst ligt in de wetenschap, terwijl kwaliteiten en competenties van afgestudeerde geesteswetenschappers veel breder kunnen worden ingezet:

‘Dames en heren, u bent geweldige analytici, u kunt goed lezen, schrijven, denken en spreken en dat is een kwaliteit die veel waard is binnen maar zeker óók buiten de universiteit!’

De geesteswetenschapper moet zich, volgens Mijnhardt, dus niet verschansen in de academie maar zich herbezinnen op zijn maatschappelijke taak. ‘Wij dienen een nieuwe rechtvaardiging te vinden voor de geesteswetenschappen in een wereld die voornamelijk wordt bepaald door grootkapitaal en een almachtige overheid, en waarin traditionele Bildungs-idealen hun betekenis hebben verloren.’

Mijnhardts betoog was opzwepend, en ja, misschien staan we inderdaad aan de vooravond van ingrijpende veranderingen van het wetenschappelijke bedrijf die een einde zullen maken aan de moordende publicatiedruk en het prevaleren van kwantiteit boven kwaliteit, maar voor de RMA’s en de enkele aio in de banken bleef de oproep tot herbezinning toch erg abstract. Hoe moeten we dat precies doen? Als jonge onderzoeker kun je moeilijk zeggen, ik publiceer wel wat minder zodat ik meer tijd heb om mijn materiaal en resultaten extra grondig te overdenken.

Bovendien is het niet alleen een kwestie van herbezinning op de academische praktijk door de wetenschapper zelf. Er is ook nog het dominante beeld van de wetenschap in de maatschappij dat niet strookt met de aard van veel geesteswetenschappelijk onderzoek. In het position paper wordt het standaardbeeld samengevat als ‘Het idee dat wetenschap 100% zekerheid biedt’ en ‘garant staat voor onweerlegbare kennis’. Dit beeld is volgens de auteurs een vertekend beeld. Het is in ieder geval een onvolledig beeld, want gebaseerd op slechts een deel van alle verschillende vormen van wetenschapsbeoefening die er zijn. Het position paper stelt daarom voor:

‘Laten we de mythes over wetenschap als enige plek op aarde waar ieder belangeloos en vervuld van hoge verheven idealen de prachtigste ontdekkingen doet, achter ons laten. (…) Een succesvolle ontmythologisering van wetenschap brengt de onderzoekers weer terug op het marktplein waar ze thuishoren, te midden van de potentiële gebruikers van nieuwe kennis.’ (6)

Ik vraag mij af of dit waar is. De vraag blijft namelijk staan: hoe ziet de herbezinning er uit? In welke termen moet de geesteswetenschapper denken als het niet in idealistische termen is – trouwens, ik streef wel degelijk naar betrouwbare kennis! – en niet in de gebruikelijke geesteswetenschappelijke termen? Dan kunnen we wel op het marktplein gaan staan, maar wat hebben we dan te zeggen? En laten we wel wezen: wie zit er écht te wachten op hordes kritische geesteswetenschappers die de ballon van objectieve, betrouwbare kennis gaan doorprikken?

Het nadenken over welke rol de wetenschapper kan spelen in het maatschappelijke veld is actueel en belangwekkend, ook binnen de literatuurwetenschap wordt al langer door sommigen een kloof tussen academie en breder publiek gesignaleerd (zie bijvoorbeeld McDonalds bekende The Death of the Critic (2007)), maar ik weet niet of een ‘ontmythologisering’ van het wetenschapsbeeld nu het beste middel is om daadwerkelijk een brug te slaan tussen de wetenschapper en het bredere publiek. Heeft niet ieder succesvol bedrijf tenslotte een aansprekende bedrijfsmythe die bijdraagt aan een leidende marktpositie?

 

***

Maandag 26 mei vindt aan de Radboud Universiteit het debat plaats ‘The PhD factory and the disposable scientist: current concerns in academia. Directe aanleiding vormt het position paper Waarom de wetenschap niet werkt zoals zou moeten, en wat daar aan te doen is, dat overigens bij verschijnen niet heel positief ontvangen is op de Radboud. Zo uitte collegevoorzitter Gerard Meijer in zijn nieuwjaarsrede (januari 2014) flinke kritiek op de onzorgvuldigheid van het paper.

Het debat wordt georganiseerd door aio’s en post-docs van de Radboud Universiteit in samenwerking met de Vakbond voor de Wetenschap. Het richt zich in het bijzonder op de positie van de jonge onderzoeker en het tijdelijk personeel dat zo’n 40% van de academie uitmaakt (zie het persbericht van de Vakbond voor de wetenschap).

Deze column verscheen eerder op Neder-L.

Martha Nussbaum komt naar Nederland. Haar boek Not for profit: Why Democracy needs the Humanities  (2010) staat centraal tijdens het congres ‘Arts and Humantities: Of(f) Course’ dat wordt gehouden rond haar bezoek aan de universiteit van Groningen op 25 en 26 juni. Ik gebruikte haar pleidooi voor de geesteswetenschappen bij een lezing over mijn onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present.  De lezing vond op 28 april plaats aan de Karelsuniversiteit te Praag voor Tsjechische studenten Nederlands en studenten Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen:

kaftnussbaum

Literatuurwetenschap: niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

De geesteswetenschappen verkeren in zwaar weer. In een maatschappij waarin het gaat om het behalen van maximale winst scoren zij beneden de maat.* Iedereen die een letterenstudie gaat doen weet het; je doet dat immers niet omdat je er rijk van gaat worden.

In de 19e eeuw stonden de geesteswetenschappen in hoog aanzien en vormden zij zelfs een voorbeeld voor andere wetenschappelijke disciplines, met name de filosofie en de geschiedwetenschap vervulden een voorbeeldfunctie. Zij hadden hun eigen methode ontwikkeld, de methode van het ‘verstehen’ (begrijpen, of inleven) tegenover de methode van de natuurwetenschappen die gericht was op verklaren en het blootleggen van universele wetten en patronen. De methode van het verstehen  had de geesteswetenschap een eigen identiteit en bestaansrecht gegeven.

Dat oorspronkelijke aanzien is tegenwoordig flink gedaald. Kleine letterenstudies, zoals Romaanse talen, theologie, kunstgeschiedenis, maar inmiddels ook de neerlandistiek zien hun studentenaantallen teruglopen en ook op de middelbare school is het profiel ‘cultuur en maatschappij’ niet erg gewild.

De geesteswetenschappen moeten zich dan ook voortdurend rechtvaardigen, de vraag wat het nut is van de geesteswetenschappen wordt keer op keer gesteld. Reden voor de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum om een pamflet te schrijven: Niet voor de winst  (2010, vertaling 2011). Hierin is zij zeer kritisch op de ontwikkeling in onderwijs en onderzoek aan de universiteit die het meetbare en winstgevende tot leidraad maakt van haar praktijk:

‘Dorstend naar nationaal gewin ontdoen vele landen en de daarin bestaande onderwijsstelsels zich achteloos van allerlei competenties die noodzakelijk zijn voor het levend houden van democratieën. Als deze trend zich voortzet, zullen landen overal ter wereld binnenkort generaties nuttige machines afleveren in plaats van volwaardige burgers die instaat zijn om zelfstandig te denken en zich kritisch op te stellen ten aanzien van de traditie’. (16)

Het aanzien en de positie van de geesteswetenschappen mag in vergelijking met de 19e eeuw zijn veranderd, de vraag naar het nut van de geesteswetenschappen is echter allerminst nieuw. Al sinds haar ontstaan moeten menswetenschappen zich verantwoorden ten opzichte van de natuurwetenschappen. En dat niet alleen: ook ten opzichte van het publieke veld moeten zij zich keer op keer legitimeren.

Het onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  komt voort uit de vraag hoe literatuurwetenschappers zich legitimeren ten aanzien van dit publieke veld, dat zijn: de niet-academische literatuurbeschouwers, de literaire critici die werkzaam zijn in publieke media zoals kranten en tijdschriften. In het onderzoek wordt gekeken hoe de literatuurwetenschap zich door de tijd heen positioneert ten aanzien van dit publieke veld: waarom hebben we eigenlijk een literatuurwetenschap nodig als er ook een literaire kritiek is, die werken bestudeert, ze in historische context plaatst en analyseert op belangwekkende motieven en thema’s én ze bovendien ook nog beoordeeld?

De relatie tussen literatuurwetenschappers en literaire critici is in Nederland altijd precair gebleken. Dit is anders dan in andere Europese landen waarbij de twee praktijken veel meer in elkaar overlopen (denk aan de Engelse term ‘criticism’  die zowel voor wetenschapper als voor criticus van toepassing is). In Nederland vliegen de wetenschapper en de criticus elkaar eens in de zoveel tijd in de haren.

Het standaardbeeld van de wetenschapper is dat hij objectief, neutraal en onbevooroordeeld is, tegelijkertijd lijkt dit beeld niet helemaal te passen in een wetenschap die unieke kunstwerken bestudeert en te maken heeft met kwesties van smaak. In de keuze voor een bepaald werk of een bepaalde auteur zit immers al een zekere voorkeur besloten. Zelden komt het voor dat een studie wordt geweid aan een werk of auteur waarvan de beschouwer het niet de moeite waard vindt er tijd in te steken. Vanwege deze normatieve houding is er altijd een zekere mate van subjectiviteit aanwezig in de literatuurwetenschap.

Het is interessant om te zien dat die normatieve houding in de 19e eeuw juist werd gewaardeerd en, sterker nog, zij bepaalde deels de kracht van de geesteswetenschappen. Zo stelde de eerste hoogleraar Nederlandse letterkunde Jonckbloet in 1877 toen de letterkundige neerlandistiek net bestond, dat de letterkundige twee taken had. Allereerst was dat causale relaties in kaart brengen: het bestuderen en analyseren van de literatuurgeschiedenis naar oorzaak en gevolg en ten tweede betrof dit het geven van kritiek: is het werk goed of niet? Voor Jonckbloet hield dit in dat het werk moest bijdragen aan nationaliteitszin.

Tegenwoordig lijkt het innemen van een normatieve houding bijna een doodzonde, zie bijvoorbeeld de discussies die ontstonden naar aanleiding van De revanche van de roman  (Vaessens 2009) en Staande receptie  (Joosten 2012). Wetenschappers en critici benadrukken hierin dat wetenschap objectief, controleerbaar en herhaalbaar dient te zijn. Het adagium “meten is weten” bepaalt de wetenschappelijke arbeid op dit moment, of in Nussbaums woorden: wetenschappers moeten allemaal identieke machines zijn. Toch is het juist die kleine subjectieve ruimte die de geesteswetenschap spannend en levendig maakt, om maar niet te zeggen creatief.

Het project Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  kijkt naar een aantal Nederlandse letterkundigen die juist die subjectieve ruimte in de literatuurwetenschap benadrukten. Het zijn niet toevallig wetenschappers die zich verdienstelijk hebben gemaakt in het publieke veld, als criticus, als dichter of als essayist. Denk daarbij aan Albert Verwey (1865-1937), bekende dichter en criticus van de beweging van Tachtig, die op latere leeftijd hoogleraar werd in Leiden. Hij presenteerde zichzelf als ‘artist-historicus’, iemand die het persoonlijk ‘kritizeren’  en het algemene ‘karakterizeren’  in zich verenigd. Of Hans Gomperts (1915-1998), de belangrijkste criticus van de jaren ’50 die in 1965 hoogleraar werd. De vraag wat de ideale verhouding is tussen kritiek en wetenschap heeft hem zowel als criticus als wetenschapper beziggehouden. Wat dreef hen in hun wetenschappelijke arbeid en in het werk dat zij buiten de academie afleverden? Hoe bakenen zij hun wetenschappelijke werk af van hun kritische activiteiten? En welke normen en waarden ten aanzien van de literatuurwetenschap liggen daaraan ten grondslag? De focus van het project ligt bij het onderzoeken van die vragen op een analyse van meta-kritische uitspraken, die uitspraken die iets zeggen over de eigen praktijk.

De uitdaging van mijn onderzoeksproject is om de verschillende case studies  die ieder in hun eigen tijd en eigen context begrepen moeten worden uiteindelijk met elkaar te vergelijken en grote lijnen zichtbaar te maken in de ontwikkeling van de literatuurwetenschap in Nederland en de status van de geesteswetenschappelijke kennis in het algemeen. Die lijnen lijken op dit moment twee kanten op te wijzen.

Enerzijds is sprake van een steeds groter wordende kloof tussen het publieke en academische veld. De oprukkende verwetenschappelijking of ‘sciëntisme’  (term overgenomen uit Verhaeghe 2012) marginaliseert de geesteswetenschappen. De literatuurwetenschapper houdt zich, niet tot ieders genoegen overigens, met totaal andere aspecten van de literatuur bezig dan de criticus. Niet het werk zelf, maar de manier waarop zij gebruikt wordt vormt de primaire focus van de hedendaagse literatuurwetenschap.

Anderzijds is er een ontwikkeling zichtbaar die een brug probeert te slaan tussen de maatschappij en geesteswetenschappen. Er klinkt een roep om de zogenaamde ‘vergeten wetenschappen’ (Bod 2010) weer op de agenda te zetten en mensen als Martha Nussbaum stellen dat de kritische reflectie van de letteren onmisbaar is voor een democratische en menselijke samenleving. Literatuurstudie helpt ‘verwondering, empathie, verbeeldingskracht en inlevingsvermogen ontwikkelen’ stelt Martha Nussbaum in Niet voor de winst.  Verwondering of verbeeldingskracht zijn lastig te meten, en er zijn ook geen formules voor op te stellen, dit maakt de literatuurwetenschap misschien minder nuttig  dan de bedrijfskunde maar maakt het haar ook minder waard?

*zie bijvoorbeeld Boomkens ‘Topkitch en Slow Science: Kritiek van de academische rede’ (2008); Lorenz ‘If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich?’  (2008) en Dorsman & Knegtmans ‘Universiteit, publiek en politiek. Het aanzien van de Nederlandse universiteiten 1800-2010′ (2012).

 

homo universalis“Meijer & De Knegt ageren net als Hennink tegen de verregaande praktijkgerichtheid van de universiteit die de ‘waardevolle kritische geest’ de das om doet.

Opvallend is dat academische vaardigheden, zoals interpreteren en redeneren en het formuleren van kritiek en zelfkritiek, in hun ogen net zo praktisch zijn als wat de universiteit als ‘praktische vaardigheden’ bestempelt: het schrijven van een sollicitatiebrief, het presenteren of pitchen van een paper en het kunnen anticiperen op de arbeidsmarkt. Er lijkt hier kortom sprake van twee verschillende interpretaties van wat de ‘praktijk’ van de academicus inhoudt. De ene gaat primair uit van een attitude, de andere van een set competenties.

De modelstudent waar alle drie de auteurs het over hebben, wil zich een specifieke attitude eigen maken. Zijn ideaal is de homo universalis of het intellectuele genie. Hij heeft echter het gevoel dat hij slechts beoordeeld wordt op relatief simpele vaardigheden die daar weinig mee te maken hebben, vaardigheden die verkregen kunnen worden door ‘ijverig oefenen’ en door ‘kennisstampen’. Let wel, vaardigheden waarin vrouwelijke studenten over het algemeen beter scoren dan mannelijke studenten. Hennink gebruikt hier niet voor niets het veelbetekenende woord ‘bemoedering’: de universiteit moet niet pamperen maar ballen kweken.”

Op Neder-L schreef ik over de zoektocht naar de ideale academicus (lees hier de volledige tekst). De aanleiding vormde twee recente artikelen van jonge academici: Michiel Henninks ‘De universiteit hoort juist geen praktijkschool te zijn’ verscheen op 11 maart in het NRC. Meijer & De Knegt pleiten voor de terugkeer van de homo universalis op online opinie platform De Fusie.