ZUS

zus from Marc Neys (aka Swoon) on Vimeo.

 

Deze week verscheen de nieuwste Poëziekrant (nummer 5, jaargang 42) met daarin mijn bespreking van Jan Lauwereyns’ mooie en intrigerende bundel Zus (2018). ‘een groot machtig alles in een minuscuul dingetje van niets // vreemd / vind je niet / prachtig toch’. Net als de teaser.

Zwarte hond

drieentwintig tipsBegin dit jaar verscheen bij uitgeverij Marmer een tweede bundel van Runa Svetlikova: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden. De titel – en het spelen met rood en zwart daarin op de omslag – doet mij denken aan de fotoserie ‘Black Dog’ (2015) van Patricia van de Camp. Verstilde donkere zwart-wit foto’s van mensen met hun zwarte hond. Een rake verbeelding van hun depressie, aldus de fotografe. Even zo vaak is de hond ook een trooster, soms zie je amper wie er achter de hond schuilgaat, slechts twee armen om de nek van het dier.

Symbolisch lijkt mij dat zwarte honden (en zwartharige beesten in het algemeen) haast onmogelijk zijn om te fotograferen. Ze slurpen al het licht op. Een gegeven dat Erik Kessels komisch uitbuitte in zijn fotoboekje In almost every picture #9 (2011), honderd-en-twaalf pagina’s met foto’s van dezelfde zwarte hond, maar het beest wordt nooit meer dan een zwart silhouet. Anders is dat bij Van de Camp, door haar wordt letterlijk en figuurlijk een poging ondernomen het zwart zichtbaar te maken. Svetlikova lijkt mij in haar bundel en met het ‘aanlijnen’ van de hond en haar demonen hetzelfde te beogen. In de nieuwe Awater schreef ik over het resultaat.

 

 

Vloekschrift

vloekschrift_cover-jpg

“Vloekschrift is schreeuwerig, boos en attaqueert, maar doet dat niet alleen uit balorigheid. Integendeel, voortdurend is duidelijk dat het een kwaadheid is die voortkomt uit onmacht en hopeloosheid. Dit is een debuut dat bij uitstek uiting geeft aan het gevoel klem te zitten. Wat is in deze wereld nog ‘echt’? Hoe kunnen we het kapitalistisch ‘ik’ ontstijgen? Wat is ‘mijn eigen stem’ nog? Is het mogelijk voorbij het individualisme te geraken? Alternatieven zijn niet voorhanden, zelfs het begrip ‘gemeenschap’ is uitgehold en, in de woorden van Köseoğlu, poëtisch kapitaal geworden. Het opnieuw beginnen en schoon schip maken is bovendien al eens gedaan, die avant-gardistische handeling nog eens verrichten, is per definitie een tragische pose: radicaliteit wordt recycling. De woede is het enige ‘echte’ wat zodoende rest en verwordt tot een middel, een poging om een zelfbewustzijn te veroorzaken, een nieuwe ruimte te creëren van waaruit – misschien, toch, hopelijk – alternatieven kunnen worden gedacht.”

 

Lees de hele bespreking van Vloekschrift (2017), het poëziedebuut van Arno Van Vlierberghe verschenen bij het balanseer, op deReactor.

 

 

Ja Nee

FullSizeRender
Je kunt het bijna aanraken
toch is het er niet.
Bewakingscamera’s registreren het
maar verzuimen te omschrijven.
Het is geen schaduw, ook geen lichtvlek;
een uitsparing lijkt het.
(…)

In zijn jongste bundel onderzoekt Tonnus Oosterhoff de ruimte die ligt tussen duidelijk herkenbare, tegengestelde polen: licht en schaduw, oog en oor, jong en oud, lichaam en geest, ja en nee. ‘Iets kan alleen maar ver weg lijken als een deel / ervan dichtbij is. / Ver weg komt van twee kanten’. De ruimte kan worden waargenomen, in die zin is het er, bestaat het, maar hoe moeten we haar noemen? Gaat het zien voor het zeggen of het zeggen voor het zien? En hoe gaan we om met de fundamentele onbetrouwbaarheid van onze zintuigen waardoor wat we waarnemen steeds vervormt? ‘Wat is dat voor lichaam dat met ons leeft?’

 

Voor de zomereditie van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over Ja Nee (2017) van Tonnus Oosterhoff. Verder in dit nummer o.a. aandacht voor het taallandschap van Tsjêbbe Hettinga (naar aanleiding van het verschijnen van de tweetalige editie van zijn verzameld werk), voor de poëzie van Robert Anker en voor (het werk van) Ishion Hutchinson die optreedt tijdens Poetry International.

 

‘Herinnering maakt de wereld’

0a2009b4-8261-4595-82fb-cb78c1569ec0‘Iedere treinreiziger kent het tafereel van een volle maar eng stille coupé waarin iedereen geconcentreerd op zijn telefoon kijkt: het raam waarachter de wereld voorbijglijdt is verwisseld voor het schermpje waarop zich de virtuele realiteit afspeelt. Deze situatie is exemplarisch voor een diagnose die tegenwoordig vaker wordt gesteld: we durven ons niet meer te vervelen. De eenentwintigste-eeuwse mens hongert naar steeds nieuwe ervaringen, die is het nietsdoen verleerd en het wachten ontwend.

In de eerste serie gedichten van Ontsnappingen, de jongste bundel van Eva Gerlach (1948), bevinden we ons in de trein. Daarmee opent hij precies met zo’n typisch moment van verveling, waaraan je min of meer bent overgeleverd, getuige de passieve constructie in de eerste regel:

Het veld verschuift terwijl je wordt gereden
Dichtbij sneller dan ver, zo verplaatst het zich samen
Naar achteren buiten je oog.

De vijf gedichten in de cyclus ‘trein’ maken echter meteen duidelijk dat je tijdens deze zogenaamd loze momenten plotseling andere dingen beginnen op te vallen. Naast de omgeving, de wereld achter het raam, is dat wat zich in je bewustzijn afspeelt, de binnenwereld die zich toont in de ruimte die de verveling creëert. Uiterlijk lijkt alles stil en rimpelloos, maar vanbinnen dringen zich afwisselend aangename en angstaanjagende beelden op. Een kind speelt onschuldig met zijn handen, imiteert de lijnen van de bergen in het landschap, maar het spel blijkt een bezwering: het durft niet te gaan slapen omdat het vreest dat de trein verongelukt zodra het zijn ogen sluit. Van een liefdevol gearmd stel blijkt de man niet alleen afwezig, maar ook danig in de war: ‘Hij hoort een vogel / zingen in de trein, zegt hij, kanarie’. Dat zijn vrouw zijn arm vasthoudt kunnen we opvatten als een liefdevol gebaar, maar evengoed als een manier om hem in toom te houden.

Dit soort contrasten kenmerken veel van de gedichten in Ontsnappingen en hebben niet zelden een ontregelende werking. Vaak blijkt het een herinnering te zijn die ervoor zorgt dat een bepaald tafereel van connotatie verandert. De trein komt binnen in een donkere stad die tegelijk een ‘stad in vlammen’ is. Het beeld resoneert met de verwijzing naar Graz in het slotgedicht van de serie. Hierin wordt Graz, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebombardeerd, beschreven als een stad waar de bliksem je hoofd in slaat: ‘alles wit als / een derdegraadsverbranding’. Zoals het eerste gedicht eigenlijk al aankondigt: ‘Herinnering maakt de wereld’, en even verderop:

als een belegerd fort wacht herinnering, aan alle
kanten ritselt vergeten, al het bekende
schijnt door, gaat liggen, teert in.

‘Juist als het verstrijken van de tijd maar spaarzaam door gebeurtenissen wordt toegedekt, dringt het zich als zodanig op’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd. Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden. Door Ontsnappingen te laten beginnen met een moment van verveling toont Gerlach op subtiele wijze het grondmotief van deze bundel: ‘tijd’ en de belangrijke rol die het geheugen speelt in het zichtbaar maken daarvan.

Het belang van het geheugen voor het bepalen van een positie in de voortrazende werkelijkheid is een thema dat doorklinkt in Gerlachs gehele oeuvre, dat geregeld bekroond werd. Voor haar debuut Verder geen leed (1979) ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de J.B. Charlesprijs, in 1994 volgde de Jan Campert-prijs voor Wat zoekraakt en in 2000 kreeg zij de prestigieuze P.C. Hooft-prijs toegekend. Dit jaar prijkt Ontsnappingen op de shortlist van de Herman de Coninckprijs die op 24 januari wordt uitgereikt. Een volkomen terechte nominatie. Ontsnappingen is een prachtige en bijzonder gevarieerde bundel, die ogenschijnlijk toegankelijk begint maar je uiteindelijk licht gedesoriënteerd achterlaat. Om wat voor ontsnappingen gaat het hier eigenlijk, en waaruit?’

 

Dit is de opening van een bespreking van Ontsnappingen die ik schreef voor deReactor. Lees de hele recensie hier.

 

Brom

berard-brom-e1441614391916

In december 1941 houdt de Nijmeegse hoogleraar Gerard Brom een voordracht voor de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Onderwerp van de voordracht is de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Of preciezer, de geschiedenis van de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Brom werkt de lezing uit tot een boek dat in 1944 verschijnt onder de titel Geschiedschrijvers van onze letterkundeHet is één van de vroegste vakhistorische overzichten en is alleen daarom al interessant voor iedere letterkundige om eens in te zien.

Daarnaast is het – als je een beetje door het ouderwetse taalgebruik heen leest – ook heel vermakelijk. Brom geeft namelijk allerminst een neutrale beschrijving van de ontwikkeling van het vak. Zijn doel lijkt vooral te zijn geweest de beperkingen aan te wijzen in de literatuurgeschiedschrijving tot dan toe. Die betreffen niet alleen de fundamentele discussie over de selectie van letterkundige werken (welke wel, welke niet?), maar zijn vaak ook gericht op de persoon van de literatuurhistoricus.

Deze laat zich volgens Brom bijvoorbeeld te veel beïnvloeden door nog levende schrijvers (zo buigt Prinsen al te ‘slaafs voor de literatoren’ wat hem niets anders oplevert dan ‘dat het publiek hem ernstiger nam dan het gilde van vakgenoten’); of hij mist een werkelijk inzicht (Kalff bijvoorbeeld is weliswaar vervuld van nationaal gevoel, maar heeft volgens Brom ‘de diepste kracht in het volksleven het minst begrepen’). Ook ‘geleerddoenerij’ en al te grote zelfverheffing worden bekritiseerd, laatst genoemd aspect vooral met betrekking tot Albert Verwey (waarbij meteen ook de onvermoeibare feitenverzamelaar Te Winkel een veeg uit de pan krijgt): ‘Verschrompelde Jan te Winkel onder de berg notities tot een ijverig kaboutertje, Verwey stond op elke bladzij zijn figuur profetisch te verheffen.’ Een ander verwijt, eveneens gemaakt aan het adres van Verwey maar ook aan dat van Bilderdijk, is het gemis aan humor: ‘Verwey deelde met Bilderdijk, van wie hij zo weinig weten wou, een tekort aan humor en vooral aan zelfironie’.

Hoewel ik Brom zelf ook niet echt kan betrappen op veel humor, presenteert Geschiedschrijvers van onze letterkunde wel een hoop komische letterkundige types:  de publieksgeile letterkundige, de ijverige kabouter, de zelfbenoemde profeet… Daarmee vormt Geschiedschrijvers van onze letterkunde een hele mooie bron voor het in kaart brengen van prototypische functies van academische letterkundigen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt voor schrijvers in het zojuist verschenen boek Schrijverstypen. De moderne auteur tussen individu en collectief (2016). Aan de hand van auteurs als Frederik van Eeden, Marnix Gijsen en Frans Kellendonk worden in dit boek verschillende auteursrollen onder de loep genomen zoals de romantische schrijver, de socialistische schrijver, de schrijver-reiziger, de grootauteur en de schrijver-criticus. Het gaat daarbij niet zozeer om de individuele auteurs — laat staan om hun ‘karaktertrekken’ —  maar om de ‘modellen’ die deze auteurs aanwenden om hun schrijverschap vorm te geven.

Zou het na Kneppelhouts Studenten-Typen (1841) en het net verschenen Schrijverstypen niet aardig zijn om een staalkaart van academische types op te stellen?

We kunnen meteen beginnen bij Gerard Brom, waarover vorig jaar een lijvige biografie is verschenen getiteld Heraut van de katholieke herleving. Ook Brom stond een duidelijk ‘model’ voor ogen, namelijk Johannes de Doper (de titel van de biografie wijst er al op). In navolging van deze ‘Heraut van de Koning’ zag Brom zichzelf graag als de verkondiger van de christelijke leer in katholieke gedaante. Biograaf Paul Luykx beschrijft uitvoerig hoe Brom deze rol invult als wetenschapper én als publieke intellectueel. Met zijn biografie wil Luykx een bijdrage leveren aan ‘de geschiedenis van de katholieken en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving en cultuur’. Daarnaast hoopt Luykx het werk van Brom uit de vergetelheid te halen. Inderdaad worden Broms historische studies op het gebied van literatuur en beeldende kunst amper nog gelezen. Dit hoeft echter niet het lot te zijn van Geschiedschrijvers van onze letterkunde, allicht anders dan Luykx voor ogen heeft, maar ik voorzie een run op dit boekje mocht het ooit tot die typologie van de academische letterkunde komen.

 

3d_heraut_klein-1024x924

 

In de jongste aflevering van Spiegel der letteren verscheen een recensie van mijn hand over de biografie Heraut van de katholieke herleving: Gerard Brom (1882-1959). 

zonder tong

FullSizeRender

Begin van dit jaar verscheen bij uitgeverij Polis Onder normale omstandigheden, de officiële dichtbundel van Frank Keizer (eerder verschenen van Keizer de chapbooks Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015) bij uitgeverij Stanza). Voor het jongste nummer van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over deze prachtige en uiterst beklemmende bundel. Ik had liever meer woorden gehad, zodat ik meer passages had kunnen citeren (bijv. ‘ik lig in bed / en verlang naar de ander / die niet naast mij ligt / naast mij ligt de status quo / en zijn inactiviteit en doelmatigheid’ of: ‘een gedenksteen vliegt door de ruiten / van het instituut / het is mijn exemplaar van Pan / waar ik eerst niet doorheen kwam / tot ik het begon te zingen’), of zodat ik had kunnen uitleggen waarom de bundel zo mooi is uitgeven. Ik zou hebben stilgestaan bij de Zwitserse bindwijze, een techniek die je niet veel ziet maar die een groot praktisch voordeel heeft, namelijk dat het boek makkelijk openvalt (en open blijft liggen). De zogenaamde ‘open rug’ die deze bindwijze oplevert – je ziet het bindgaren en de knopen daarin en ook de lijm die het geheel bij elkaar houdt – onderstreept naar mijn idee de uiteenspatting die in Onder normale omstandigheden wordt beschreven, de constructie, de artificialiteit van het 21e-eeuwse zijn. Anderzijds getuigt deze uitgave van een zekere ambachtelijkheid die tegemoet lijkt te komen aan de dichters hang naar een tijd waarin arbeid nog persoonlijk was (‘toen productie nog niet was genormaliseerd’). Subtiel, mooi. (Chrétien Breukers denkt hier overigens anders over, maar hij meent dan ook dat het boekje al bij eerste lezing ‘uit zijn rug brak.)

Uit Awater:

13435325_10209907422302893_267419994440084602_n