Archive

recensie

FullSizeRender
Je kunt het bijna aanraken
toch is het er niet.
Bewakingscamera’s registreren het
maar verzuimen te omschrijven.
Het is geen schaduw, ook geen lichtvlek;
een uitsparing lijkt het.
(…)

In zijn jongste bundel onderzoekt Tonnus Oosterhoff de ruimte die ligt tussen duidelijk herkenbare, tegengestelde polen: licht en schaduw, oog en oor, jong en oud, lichaam en geest, ja en nee. ‘Iets kan alleen maar ver weg lijken als een deel / ervan dichtbij is. / Ver weg komt van twee kanten’. De ruimte kan worden waargenomen, in die zin is het er, bestaat het, maar hoe moeten we haar noemen? Gaat het zien voor het zeggen of het zeggen voor het zien? En hoe gaan we om met de fundamentele onbetrouwbaarheid van onze zintuigen waardoor wat we waarnemen steeds vervormt? ‘Wat is dat voor lichaam dat met ons leeft?’

 

Voor de zomereditie van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over Ja Nee (2017) van Tonnus Oosterhoff. Verder in dit nummer o.a. aandacht voor het taallandschap van Tsjêbbe Hettinga (naar aanleiding van het verschijnen van de tweetalige editie van zijn verzameld werk), voor de poëzie van Robert Anker en voor (het werk van) Ishion Hutchinson die optreedt tijdens Poetry International.

 

Advertisements

0a2009b4-8261-4595-82fb-cb78c1569ec0‘Iedere treinreiziger kent het tafereel van een volle maar eng stille coupé waarin iedereen geconcentreerd op zijn telefoon kijkt: het raam waarachter de wereld voorbijglijdt is verwisseld voor het schermpje waarop zich de virtuele realiteit afspeelt. Deze situatie is exemplarisch voor een diagnose die tegenwoordig vaker wordt gesteld: we durven ons niet meer te vervelen. De eenentwintigste-eeuwse mens hongert naar steeds nieuwe ervaringen, die is het nietsdoen verleerd en het wachten ontwend.

In de eerste serie gedichten van Ontsnappingen, de jongste bundel van Eva Gerlach (1948), bevinden we ons in de trein. Daarmee opent hij precies met zo’n typisch moment van verveling, waaraan je min of meer bent overgeleverd, getuige de passieve constructie in de eerste regel:

Het veld verschuift terwijl je wordt gereden
Dichtbij sneller dan ver, zo verplaatst het zich samen
Naar achteren buiten je oog.

De vijf gedichten in de cyclus ‘trein’ maken echter meteen duidelijk dat je tijdens deze zogenaamd loze momenten plotseling andere dingen beginnen op te vallen. Naast de omgeving, de wereld achter het raam, is dat wat zich in je bewustzijn afspeelt, de binnenwereld die zich toont in de ruimte die de verveling creëert. Uiterlijk lijkt alles stil en rimpelloos, maar vanbinnen dringen zich afwisselend aangename en angstaanjagende beelden op. Een kind speelt onschuldig met zijn handen, imiteert de lijnen van de bergen in het landschap, maar het spel blijkt een bezwering: het durft niet te gaan slapen omdat het vreest dat de trein verongelukt zodra het zijn ogen sluit. Van een liefdevol gearmd stel blijkt de man niet alleen afwezig, maar ook danig in de war: ‘Hij hoort een vogel / zingen in de trein, zegt hij, kanarie’. Dat zijn vrouw zijn arm vasthoudt kunnen we opvatten als een liefdevol gebaar, maar evengoed als een manier om hem in toom te houden.

Dit soort contrasten kenmerken veel van de gedichten in Ontsnappingen en hebben niet zelden een ontregelende werking. Vaak blijkt het een herinnering te zijn die ervoor zorgt dat een bepaald tafereel van connotatie verandert. De trein komt binnen in een donkere stad die tegelijk een ‘stad in vlammen’ is. Het beeld resoneert met de verwijzing naar Graz in het slotgedicht van de serie. Hierin wordt Graz, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebombardeerd, beschreven als een stad waar de bliksem je hoofd in slaat: ‘alles wit als / een derdegraadsverbranding’. Zoals het eerste gedicht eigenlijk al aankondigt: ‘Herinnering maakt de wereld’, en even verderop:

als een belegerd fort wacht herinnering, aan alle
kanten ritselt vergeten, al het bekende
schijnt door, gaat liggen, teert in.

‘Juist als het verstrijken van de tijd maar spaarzaam door gebeurtenissen wordt toegedekt, dringt het zich als zodanig op’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd. Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden. Door Ontsnappingen te laten beginnen met een moment van verveling toont Gerlach op subtiele wijze het grondmotief van deze bundel: ‘tijd’ en de belangrijke rol die het geheugen speelt in het zichtbaar maken daarvan.

Het belang van het geheugen voor het bepalen van een positie in de voortrazende werkelijkheid is een thema dat doorklinkt in Gerlachs gehele oeuvre, dat geregeld bekroond werd. Voor haar debuut Verder geen leed (1979) ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de J.B. Charlesprijs, in 1994 volgde de Jan Campert-prijs voor Wat zoekraakt en in 2000 kreeg zij de prestigieuze P.C. Hooft-prijs toegekend. Dit jaar prijkt Ontsnappingen op de shortlist van de Herman de Coninckprijs die op 24 januari wordt uitgereikt. Een volkomen terechte nominatie. Ontsnappingen is een prachtige en bijzonder gevarieerde bundel, die ogenschijnlijk toegankelijk begint maar je uiteindelijk licht gedesoriënteerd achterlaat. Om wat voor ontsnappingen gaat het hier eigenlijk, en waaruit?’

 

Dit is de opening van een bespreking van Ontsnappingen die ik schreef voor deReactor. Lees de hele recensie hier.

 

berard-brom-e1441614391916

In december 1941 houdt de Nijmeegse hoogleraar Gerard Brom een voordracht voor de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Onderwerp van de voordracht is de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Of preciezer, de geschiedenis van de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Brom werkt de lezing uit tot een boek dat in 1944 verschijnt onder de titel Geschiedschrijvers van onze letterkundeHet is één van de vroegste vakhistorische overzichten en is alleen daarom al interessant voor iedere letterkundige om eens in te zien.

Daarnaast is het – als je een beetje door het ouderwetse taalgebruik heen leest – ook heel vermakelijk. Brom geeft namelijk allerminst een neutrale beschrijving van de ontwikkeling van het vak. Zijn doel lijkt vooral te zijn geweest de beperkingen aan te wijzen in de literatuurgeschiedschrijving tot dan toe. Die betreffen niet alleen de fundamentele discussie over de selectie van letterkundige werken (welke wel, welke niet?), maar zijn vaak ook gericht op de persoon van de literatuurhistoricus.

Deze laat zich volgens Brom bijvoorbeeld te veel beïnvloeden door nog levende schrijvers (zo buigt Prinsen al te ‘slaafs voor de literatoren’ wat hem niets anders oplevert dan ‘dat het publiek hem ernstiger nam dan het gilde van vakgenoten’); of hij mist een werkelijk inzicht (Kalff bijvoorbeeld is weliswaar vervuld van nationaal gevoel, maar heeft volgens Brom ‘de diepste kracht in het volksleven het minst begrepen’). Ook ‘geleerddoenerij’ en al te grote zelfverheffing worden bekritiseerd, laatst genoemd aspect vooral met betrekking tot Albert Verwey (waarbij meteen ook de onvermoeibare feitenverzamelaar Te Winkel een veeg uit de pan krijgt): ‘Verschrompelde Jan te Winkel onder de berg notities tot een ijverig kaboutertje, Verwey stond op elke bladzij zijn figuur profetisch te verheffen.’ Een ander verwijt, eveneens gemaakt aan het adres van Verwey maar ook aan dat van Bilderdijk, is het gemis aan humor: ‘Verwey deelde met Bilderdijk, van wie hij zo weinig weten wou, een tekort aan humor en vooral aan zelfironie’.

Hoewel ik Brom zelf ook niet echt kan betrappen op veel humor, presenteert Geschiedschrijvers van onze letterkunde wel een hoop komische letterkundige types:  de publieksgeile letterkundige, de ijverige kabouter, de zelfbenoemde profeet… Daarmee vormt Geschiedschrijvers van onze letterkunde een hele mooie bron voor het in kaart brengen van prototypische functies van academische letterkundigen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt voor schrijvers in het zojuist verschenen boek Schrijverstypen. De moderne auteur tussen individu en collectief (2016). Aan de hand van auteurs als Frederik van Eeden, Marnix Gijsen en Frans Kellendonk worden in dit boek verschillende auteursrollen onder de loep genomen zoals de romantische schrijver, de socialistische schrijver, de schrijver-reiziger, de grootauteur en de schrijver-criticus. Het gaat daarbij niet zozeer om de individuele auteurs — laat staan om hun ‘karaktertrekken’ —  maar om de ‘modellen’ die deze auteurs aanwenden om hun schrijverschap vorm te geven.

Zou het na Kneppelhouts Studenten-Typen (1841) en het net verschenen Schrijverstypen niet aardig zijn om een staalkaart van academische types op te stellen?

We kunnen meteen beginnen bij Gerard Brom, waarover vorig jaar een lijvige biografie is verschenen getiteld Heraut van de katholieke herleving. Ook Brom stond een duidelijk ‘model’ voor ogen, namelijk Johannes de Doper (de titel van de biografie wijst er al op). In navolging van deze ‘Heraut van de Koning’ zag Brom zichzelf graag als de verkondiger van de christelijke leer in katholieke gedaante. Biograaf Paul Luykx beschrijft uitvoerig hoe Brom deze rol invult als wetenschapper én als publieke intellectueel. Met zijn biografie wil Luykx een bijdrage leveren aan ‘de geschiedenis van de katholieken en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving en cultuur’. Daarnaast hoopt Luykx het werk van Brom uit de vergetelheid te halen. Inderdaad worden Broms historische studies op het gebied van literatuur en beeldende kunst amper nog gelezen. Dit hoeft echter niet het lot te zijn van Geschiedschrijvers van onze letterkunde, allicht anders dan Luykx voor ogen heeft, maar ik voorzie een run op dit boekje mocht het ooit tot die typologie van de academische letterkunde komen.

 

3d_heraut_klein-1024x924

 

In de jongste aflevering van Spiegel der letteren verscheen een recensie van mijn hand over de biografie Heraut van de katholieke herleving: Gerard Brom (1882-1959). 

FullSizeRender

Begin van dit jaar verscheen bij uitgeverij Polis Onder normale omstandigheden, de officiële dichtbundel van Frank Keizer (eerder verschenen van Keizer de chapbooks Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015) bij uitgeverij Stanza). Voor het jongste nummer van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over deze prachtige en uiterst beklemmende bundel. Ik had liever meer woorden gehad, zodat ik meer passages had kunnen citeren (bijv. ‘ik lig in bed / en verlang naar de ander / die niet naast mij ligt / naast mij ligt de status quo / en zijn inactiviteit en doelmatigheid’ of: ‘een gedenksteen vliegt door de ruiten / van het instituut / het is mijn exemplaar van Pan / waar ik eerst niet doorheen kwam / tot ik het begon te zingen’), of zodat ik had kunnen uitleggen waarom de bundel zo mooi is uitgeven. Ik zou hebben stilgestaan bij de Zwitserse bindwijze, een techniek die je niet veel ziet maar die een groot praktisch voordeel heeft, namelijk dat het boek makkelijk openvalt (en open blijft liggen). De zogenaamde ‘open rug’ die deze bindwijze oplevert – je ziet het bindgaren en de knopen daarin en ook de lijm die het geheel bij elkaar houdt – onderstreept naar mijn idee de uiteenspatting die in Onder normale omstandigheden wordt beschreven, de constructie, de artificialiteit van het 21e-eeuwse zijn. Anderzijds getuigt deze uitgave van een zekere ambachtelijkheid die tegemoet lijkt te komen aan de dichters hang naar een tijd waarin arbeid nog persoonlijk was (‘toen productie nog niet was genormaliseerd’). Subtiel, mooi. (Chrétien Breukers denkt hier overigens anders over, maar hij meent dan ook dat het boekje al bij eerste lezing ‘uit zijn rug brak.)

Uit Awater:

13435325_10209907422302893_267419994440084602_n

 

 

 

navigatiesystemen-van-han-van-der-vegt-is-door-zijn-verrassende-themas-een-interessante-bundel-voor-de-beginnende-gedichtenlezer-e1445448538818-1900x630“Op de omslag van Navigatiesystemen, de zesde dichtbundel van Han van der Vegt (1961), staat een foto van een archeologisch object. Een platte, gepolijste, ronde steen met spijkerschriftachtige inscripties. Het colofon vermeldt dat het een ‘neo-Assyrische planisfeer’ betreft, een instrument waarmee men sterren en sterrenbeelden kan leren herkennen. Het neo-Assyrische rijk bestond ongeveer tussen 900 en 600 voor Christus. Het maakt het instrument op de omslag bijna drie millennia oud. De planisfeer die als een volle maan op de donkerblauwe omslag van Navigatiesystemen zweeft, geeft de richting aan waarin Van der Vegt de lezer meeneemt: de ruimte in, naar de sterren. ‘Een nieuwe wereld balt zich buiten de ronding van je helm’. Tussen voor- en achterflap bewegen we ons in een grenzeloos heelal waarin heden, verleden en toekomst met elkaar verbonden zijn, een virtueel landschap waarin de ons bekende concepties van zwaartekracht en massa opgerekt worden. Een plaats ‘…waar ideeën niet van toepassing zijn, waar je geld niets waard is / en waar wie je bent nooit voldoende is om een naam vast te houden’. De gedichten reiken ‘voorbij de menselijkheid’, aldus de ondertitel. Maar voorbij welke menselijkheid? En op welke navigatiesystemen moeten we ons beroepen in Van der Vegts uitdijende universum?”

Voor de Reactor besprak ik de duizelingwekkende bundel Navigatiesystemen. Zes gedichten voorbij de menselijkheid (2015) van Han van der Vegt. Lees hier de hele bespreking.

Uw woorden zijn niet meer van ons.


Uw woorden vertrouwen ons niet, en wij niet onszelf.

In Opzichtige stilte (2014), de jongste bundel van de Vlaamse dichter Leonard Nolens, doet een verteller verslag van zijn opname in een psychiatrische instelling. Op indringende wijze wordt het traject beschreven van intake tot ontslag en de periode kort na de opname, wanneer de verteller weer thuiskomt en het vertouwde tegelijk herkenbaar en vreemd voor hem is. Het persoonlijke en semi-autobiografische relaas van de verteller is tegelijk een meer algemene zoektocht naar de eigen stem, een stem die zich niet alleen vreemd of ongehoord weet in de werkelijkheid buiten de instelling, het is ook een stem die zijn eigenheid verliest in de dwingende omgeving van de psychiatrische instelling. Via de collectieve stem van de groep ‘onaangepasten’ komt de verteller uiteindelijk weer dichter bij zichzelf.

Op De Reactor, Vlaams-Nederlands webplatform voor literaire kritiek, verscheen vandaag een bespreking van mijn hand over Opzichtige stilte.

opzichtige stilte

***

De Reactor richt zich op Nederlandstalige fictie en non-fictie en publiceert met grote regelmaat besprekingen van zowel poëzie en romans als filosofische werken en vertalingen. Vlaamse en Nederlandse critici van verschillende generaties, met verschillende expertises en met verschillende opvattingen over literatuur en kritiek schrijven voor De Reactor. Het webplatform is een initiatief van enkele redacteuren van literaire tijdschriften die de literaire kritiek een nieuwe impuls wilden geven. Het webplatform richt zich op een breed publiek van geïnteresseerde lezers die volgens de initiatiefnemers vaak hun gading niet meer vinden in de kolommen van kranten en weekbladen.

Mijn-leven-is-mooier-dan-literatuur-detailEssayistisch schrijven over literatuur is booming businessOver Jannah Loontjens’ Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013)

 

1. Leven met literatuur 

Jannah Loontjens debuteerde als dichter in 2001 met de bundel Spectroscoop. Een jaar later volgde de dichtbundel Varianten van nu  en in 2006 verscheen Het ongelooflijk krimpen. Naast gedichten schreef zij twee romans: Veel geluk (2007) en Hoe laat eigenlijk (2011). Oorspronkelijk opgeleid in de filosofie koos Loontjens voor een promotietraject in de literatuurwetenschap. In 2012 promoveerde zij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Popular Modernism.

Afgelopen jaar verscheen er niet alleen een volgende dichtbundel (Dat ben jij toch) maar ook de essaybundel Mijn leven is mooier dan literatuur,  volgens de ondertitel een ‘kleine filosofie van het schrijverschap’. Mijn leven is mooier dan literatuur  bevat, zo schrijft Loontjens in het nawoord, ‘juist datgene wat ik niet in mijn proefschrift kwijt kon, maar dat in feite toch de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek vormde.’ (172) In dit boek is –anders dan in haar proefschrift– ruimte voor haar eigen ervaringen als lezer en schrijver, voor jeugdherinneringen en voor perosonlijke interpretaties van literaire werken en films. In het ‘Woord vooraf’ wordt de onderliggende voedingsbodem meteen duidelijk, de overtuiging dat leven en literatuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn: ‘Leven zonder literatuur is voor mij ondenkbaar; hoe we met en in literatuur leven, daar gaat dit boek over.’ (8) Het is een overtuiging die Loontjens herkent bij grote modernistische auteurs als Proust en Kafka.

Waar ik benieuwd naar was voordat ik dit boek ging lezen was hoe Loontjens in Mijn leven is mooier dan literatuur  de middenweg bewandelt tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk schrijven. Is dit boek misschien te beschouwen als een andere manier van ‘populair wetenschappelijk’ schrijven, in die zin dat Loontjens tracht het werk dat zij heeft verricht voor haar promotieonderzoek voor een breder dan strikt-wetenschappelijk publiek bereikbaar te maken? Lukt het haar om een symbiose te vinden of blijven de literaire schrijver en de wetenschapper in haar toch twee verschillende talen spreken? Die laatste vraag werd direct ingegeven door de titel van het boek. Mijn leven is mooier dan literatuur  doet namelijk vermoeden dat het hier om een zeer persoonlijk verslag gaat, een schrijverslogboek misschien, maar de ‘kleine filosofie’ uit de ondertitel wekt daarentegen de suggestie dat er uiteindelijk toch wordt gestreefd naar het doen van algemene uitspraken over het schrijverschap.

2. In gesprek met de vorigen

Mijn leven is mooier dan literatuur behandelt ontzettend veel onderwerpen die alle cirkelen rond de thema’s literair schrijven en schrijverschap. Het onderzoekt niet alleen het standaardbeeld van de schrijver in modernistische literatuur of in recente films als Adaptation en The Hours, maar ook het schrijfproces zelf, het aura van Oprah’s bookclub, het fenomeen ‘vrouwenliteratuur’, het effect van ingrijpende leeservaringen, het belang van branding  van een ‘authentieke’ auteur en het onderscheid tussen populaire en hoge literatuur.

Het eerste deel ‘Begin van een begin’ lijkt gericht op de beginnende schrijver omdat het een eerlijk inkijkje geeft in het schrijfproces. Mooi beschrijft Loontjens hoe de eerste zin van een boek allerminst de eerste zin is:

‘Beginnen is een samenspel tussen vooruitkijken en met een lus vanuit de toekomstverwachting alvast terugkijken naar hoe het begin erbij zal staan als de rest er is. Het is een vooruitlopen op het terugblikken.’ (15)

Zij verduidelijkt dit aan de hand van eigen ervaringen met het schrijven van haar eerste roman Veel geluk  wat de algemene beschrijving van schrijfangst en schrijftwijfel op concrete wijze verheldert. De strekking van dit hoofdstuk doet erg denken aan wat Menno ter Braak schreef over het begin van het schrijfproces, zoals verwoord in de opening van ‘Een schrijver na zijn dertigste jaar’:

‘Wie een boek begint legt zich met de eerste regel vast voor het gehele boek. Ieder schrijver met een schrijvers geweten aarzelt daarom lang voor hij zich op een regenachtige morgen neerzet om die eerste regel te formuleren; hij weet, dat hij niet meer terug kan, dat hij gewetenloos en opzettelijk barok zou moeten zijn om de toon van zijn begin te herroepen.’ (9)

Het is de modernistische twijfel bij uitstek die in deze zin van Ter Braak en in Loontjens hoofdstuk ‘Begin van een begin’ wordt onderzocht en ontleed.

Ook in haar tweede hoofdstuk ‘Invloedrijke leeservaringen’ is de vergelijking met het gedachtegoed van Ter Braak opvallend. Hierin omschrijft Loontjens een goed boek als ‘een goede vriend’ :  ‘omdat ik een goed boek als een goed gesprek kan ervaren’. (60) Het lijkt een herformulering van het Forum-criterium dat de tekst een ontmoeting is met een sterke persoonlijkheid.

Het boek is echter niet alleen een gesprek met de ander die uit de tekst spreekt, maar tevens een gesprek met jezelf. Loontjes laat dit zien aan de hand van een interpretatie van Kafka’s verhaal ‘Huwelijksvoorbereidingen op het land’. De hoofdpersoon Eduard Raban verklaart dat je in een boek juist leest ‘wat je zelf al dacht’. (60) Je herkent in de tekst wat je reeds in gedachten had. Liefde voor boeken blijkt uiteindelijk niets dan eigen liefde. Door het lezen van literatuur, èn door het schrijven lijkt Loontjens te willen zeggen, leren we onszelf beter kennen.

3. Dit is goede literatuur! Misschien..

Minder gestaafd aan de hand van eigen ervaringen, behandelt Loontjens in het derde deel van Mijn leven is mooier dan literatuur de vraag ‘wat is literatuur?’. Hier ontkomt de literatuurwetenschapper Loontjens niet aan het gangbare antwoord binnen die wetenschap: literatuur is dat wat anderen zeggen dat literatuur is. Spannender dan in iedere alinea weer een nieuwe naam te noemen (de referenties lopen van Arie Storm, Ilja Leonard Pfeiffer en Saskia Noort tot Slavoj Zizek, Coen Simon en Andreas Huyssen) was het geweest als Loontjens hier was vertrokken vanuit haar eigen idee van wat literatuur is. Het blijft wat wijfelachtig geformuleerd: literatuur moet geëngageerd zijn maar alleen engagement is niet voldoende, het werk moet niet te particulier zijn maar sommige schrijvers die over kleine strubbelingen schrijven vindt ze wel weer wel interessant. Het gebruik van ‘wellicht’ en ‘misschien’ ontkracht de durf om de grote vraag naar wat goede literatuur is (want dat lijkt de eigenlijke vraag) te stellen:

Wil het intrigeren [dan] is er wellicht enige distantie nodig, een zekere eigenheid, een gevoel voor ironie en misschien een onderzoekende wijze van de werkelijkheid observeren, waardoor er nieuwe onverwachte inzichten worden ontdekt.’ (108)

Voor de literatuurwetenschapper bevat het boek iets te veel verwijzingen naar bekende namen uit de inleidingen literatuurwetenschap zonder echt dieper op de theorieën en visies in te gaan. Wat dat betreft blijft Mijn leven is mooier dan literatuur stoelen op twee gedachten: het schrijverslogboek enerzijds en het proefschrift over modernistische literatuur anderzijds. Maar dit betekent niet dat Mijn leven is mooier dan literatuur de lezer die geïnteresseerd is in literair schrijven en literair auteurschap niet veel te bieden heeft. Integendeel.

Moeilijke vragen die Loontjens bezighouden worden niet geweerd en nodigen uit tot meedenken. De verdienste van Loontjens’ boek is dat ze in zeer heldere taal de dialoog aangaat met de modernistische schrijvers van weleer en hun werk juist betrekt op contemporaine fenomenen die haar als literaire schrijver bezighouden en als lezer interesseren.

4. Een nieuwe ruimte voor het letterkundig essay

Voor de literatuurwetenschapper kan Mijn leven is mooier dan literatuur  tot slot nog op een andere manier de moeite waard zijn. Volgens Loontjens –en hierin staat zij niet alleen– is er op het moment veel vraag naar het delen van schrijf- en leeservaringen, in de vorm van leesclubs of literaire avonden maar ook in de vorm van boeken:

‘Het is opvallend dat in deze tijd waarin cultuurscepticisme lijkt te overheersen en er veel kritiek is op zogenaamde elitaire kunstliefhebbers, de aandacht voor literatuur en literair schrijven in populaire media toeneemt. Boeken- en leesclubs vermenigvuldigen zich en er is een groeiende aandacht voor het literaire schrijven als ‘bezigheid’: zelfhulp-boeken over het schrijven van poëzie, memoires, proza of scenario’s zijn booming business.’ (104)

Die tendens heeft de ruimte voor het essay over lezen en schrijven vergroot, zoals de publicatie van Mijn leven is mooier dan literatuur  eigenlijk zelf al bewijst, maar zoals ook blijkt uit de aankondiging van een schrijver als Joost de Vries die in een recent interview vertelde aan een essaybundel te werken die specifiek gaat over schrijvers en schrijven nu.

Deze recentelijk toegenomen interesse voor literair schrijven en lezen is iets om in de gaten te houden voor de jonge letterkundige of literatuurwetenschappelijke onderzoeker die bezig is met zijn proefschrift. Het kan een verrassend antwoord bieden op de vraag hoe je je als jonge onderzoeker zichtbaar kunt maken én kunt onderscheiden. Iedere promovendus in de letteren ziet zich geconfronteerd met de opdracht om enerzijds het beste proefschrift ooit te moeten schrijven en anderzijds om zich daarbij volledig te conformeren aan de wetenschappelijke etiquette. Als junior-onderzoeker in de academische arena kun je je het simpelweg niet veroorloven hier al te zeer van af te wijken.

In een tijd waarin de geesteswetenschappen het moeilijk hebben hun maatschappelijke positie te verantwoorden en er geregeld gesproken wordt over een vervreemding tussen universiteit en maatschappij (zie bijvoorbeeld Dorsman & Knegtmans 2012 en Boomkens 2008) werpt een zoektocht als Mijn leven is mooier dan literatuur  een verrassend perspectief op de vraag hoe die vervreemding tegen te gaan. In een uitgeefklimaat waarin men zeer pessimistisch is over publicatiemogelijkheden voor letterkundige proefschriften kan het volgens mij allerminst kwaad de mogelijkheid te overwegen juist die zaken die geen plek kunnen krijgen in het proefschrift te gebruiken voor een publiekseditie. Dat hoeft dan overigens niet met de prestigieuze genre-aanduiding ‘een kleine filosofie’, dat kunnen we dan gewoon een essaybundel noemen.

cover JL

***

Deze recensie over Jannah Loontjens. Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013, Ambo Anthos) verscheen eerder op Neder-L.