Archive

nederlandse literatuur

Tegen-de-schenen-1024x874

De roman is een hoer geworden’, schreef Marcel Möring, en met die woorden haalde hij uit naar collega-schrijvers die met toegankelijke en vlotte boeken vooral lijken te dingen naar de gunst van het grote publiek. Niet alleen Möring, maar bijvoorbeeld ook Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee, heeft zich beklaagd over een gebrek aan durf bij hedendaagse schrijvers en de eenvormigheid van hun werk.

 

Tegen de schenen bevat opstellen over recent verschenen boeken die de lezer niet als hapklare brokken kan verteren. Boeken die zich juist kenmerken door een zekere tegendraadsheid, door taboes aan te snijden, ethische of morele grenzen te onderzoeken of eigenzinnig afwijkend commentaar te geven op actuele vraagstukken. Soms gebeurt dat ook door te kiezen voor een heel ongebruikelijke vorm. Al deze boeken getuigen van moed en ze breken met heersende opinies en conventies. Tegen de schenen is een vervolg op het succesvolle Op de hielen (2013). De opstellen zijn weer geschreven door onderzoekers die een band hebben met de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit en zijn gewijd aan werk van Hanna Bervoets, Jeroen Brouwers, A.H.J. Dautzenberg, Arnon Grunberg, Kees ’t Hart, Auke Hulst, A.L. Snijders, Ted van Lieshout en Margot Vanderstraeten.

 

Zie ook de website van Vantilt.

Advertisements

veldwerk

Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

 

Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.

 

leeslijstGisteren verscheen De leeslijst. 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur bij uitgeverij Vantilt. Het boek is gemaakt met het doel om iedere literatuurliefhebber (hernieuwd) kennis te laten maken met vergeten, onderschatte, of juist stukgelezen en vaak bekroonde werken uit de Nederlandse en Vlaamse letterkunde van alle eeuwen. ‘Niet omdat het moet, maar omdat het leuk is’ benadrukt ook de achterflap. De auteurs – allen (ooit) verbonden aan de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit – presenteren in De leeslijst hun keuze van belangwekkende, urgente, relevante, interessante of gewoon mooie boeken uit de Nederlandstalige literatuur. Van Vondels Gysbreght van Aemstel tot Claus’ Het verdriet van België, van de Wachtendonkse psalmen tot Gerjon Gijsbers nog te verschijnen Aan gort.

De redactie was in handen van Nina Geerdink, Jos Joosten en Johan Oosterman. Bijdragen zijn van de hand van Lieke van Deinsen, Jeroen Dera, Anja de Feijter, René Gabriël, Nina Geerdink, Roeland Harms, Fieke de Hartog, Lotte Jensen, Bas Jongenelen, Jos Joosten, Judith Kessler, Ted Laros, Alan Moss, Jos Muijres, Johan Oosterman, Esther Op de Beek, Sophie Reinders, Floor van Renssen, Koen Rymenants, Cleo Schatorjé, Rob van de Schoor, Tom Sintobin en Janneke Weijermars.

Voor De leeslijst schreef ik bijdragen over Paul van Ostaijen (Gebruiksaanwijzing der Lyriek en Nagelaten gedichten), Leo Vroman (Gedichten, vroegere en latere), Cees Buddingh’s onvolprezen Gorgelrijmen, De SS’ers van Armando & Sleutelaar, Louis Ferron (De keisnijder van Fichtenwald) en tenslotte Peter Verhelst (Memoires van een luipaard).

***

Een eerste (enthousiaste) bespreking van De leeslijst verscheen op Neder-L:

De leeslijst is een lekker grillige en eigenzinnige canon. Het is het soort boek waardoor je zin krijgt je baan op te geven. Wie het uit heeft, wil niets anders dan onderdak vinden bij een weldoener en dan alleen nog maar te lezen.’ — Marc van Oostendorp

Op Tzum is de lijst van 222 werken en auteurs in chronologische volgorde te raadplegen. 

Hippolyte_Flandrin_-_Young_Man_by_the_Sea_-_WGA07905‘Het was een prachtige partij, een paar uur

was mijn leven niet van mij noch van de wetenschap.

Alsof ik touwtje stond te springen op de maan.’

dag(droom) # 2.608

.

Waar begin je met schrijven over de reeds bejubelde en veel besproken bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer? De bundel is zo rijk aan beelden, referenties, observaties, dromen, absurde beschrijvingen en pakkende regels, dat eigenlijk ieder begin mogelijk is. Er zijn de afgelopen maanden vele momenten geweest waarop ik aan de bundel moest denken en meende dat dit hét aanknopingspunt was waarmee een nieuwe bespreking van Mens Dier Ding zou moeten openen: een aflevering van het spelprogramma ‘De Slimste Mens’ op VIER; een lezing van Pol Hoste waarin hij vertelt over een bezoek aan de Verenigde Staten en hoe hij, wilde hij meer te weten komen over de oorspronkelijke bevolking van Amerika, te horen kreeg dat hij niet bij het National History Museum maar bij het Natural History Museum moest zijn; een regel van Tom Van Imschoot uit het nummer van nY (juli 2014) over uitwegen in de literatuur:

Je ‘ik’ is, net als voor iedereen, je enige transcendentale houvast in een wereld waarin alles vervloeit.

Mens Dier Ding is een tekst met de wonderlijke eigenschap dat iedere eigen ervaring er even makkelijk als eindeloos in resoneert. Een beoordelaar van de Awater Poëzieprijs die dit jaar aan Schaffer werd uitgereikt, noemde de bundel treffend een ‘hallucinant caleidoscopisch meesterwerk’. Het lezen ervan brengt een grote verwarring met zich mee. Mens Dier Ding is ‘verontrustend’ schreven verschillende recensenten. In de woorden van de dichter zelf: ‘De bundel is te veelzijdig, hoop ik’. Is dit wat Brian McHale bedoelde met de tekst als ‘echokamer’?

Hoewel ik in tijden niet zo’n mooie en indrukwekkende bundel heb gelezen, werd ik bij mezelf een nogal laffe reactie op de ongelooflijke veelzijdigheid gewaar. Namelijk, dat ik, om de echo’s te beheersen, teruggreep op begrippen waar ik vertrouwd mee ben geraakt tijdens mijn studie Nederlands. Begrippen als ‘intertekstualiteit’, ‘intermedialiteit’, ‘adaptatie’ en ‘narratieve poëzie’ en het ‘simulacrum’ van Baudrillard moesten mijn bespreking in goede banen leiden. Het leverde een makke beschouwing op waar ik uiteindelijk niet tevreden over was, omdat het een werk betreft dat naar mijn mening terecht wordt getypeerd als ‘vuurwerk’ (VSB-juryrapport) en ‘een gebeurtenis in de poëzie’ (Arie van den Berg).

[…]

.

***

Dit zijn de openingsalinea’s van een essay dat ik schreef over de bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer. Het verscheen deze maand in de jongste aflevering van DWB.

Ik heb lang aan de tekst gewerkt en het meerdere keren herschreven. Pas nadat ik Schaffers proefschrift De geschiedenis van een jonge god: mythe, primordialiteit en de representatie van de archetypische adolescent en jonge man in werken uit de moderne Afrikaanse literatuur en de wereldliteratuur (2002) had gelezen, vond ik een manier om iets nieuws toe te voegen aan de lange lijst besprekingen van Mens Dier Ding.

Tegelijkertijd kwamen er – door het proefschrift en de dichtbundel met elkaar in verband te brengen – vragen naar boven die mij al een tijd bezighouden in mijn eigen promotieonderzoek: hoe kunnen wetenschap en kunst elkaar aanvullen? Wat kan de wetenschap leren van de literatuur, wat de literatuur van de wetenschap? Waar liggen de overeenkomsten, waar de onoverbrugbare kloven? Jagen beide eenzelfde soort kennis na? En wat behelst die kennis dan?

Het essay ‘‘Ik heb mij nog nooit zo bevrijd gevoeld!’ Over het lezen van Mens Dier Ding van Alfred Schaffer’ is te lezen in de papieren versie van DWB 3, 2015.

.

.

***

afbeelding: Hippolyte Flandrin. Jeune homme nu assis au bord de la mer. Figure d’étude (1836) 

.

.

.

Antonie Donker

Ik ben al een tijdje bezig grip te krijgen op deze man: Nico Donkersloot (1902-1965). In de jaren dertig beter bekend als de dichter en criticus Anthonie Donker. In 1930 richtte Donker het literaire maandblad Critisch Bulletin op dat pleitte voor een ‘onpartijdige, samenvattende en bij voorkeur opbouwende critiek’. Donker had een jaar eerder in een interview te kennen geven dat hij de huidige kritiek maar onsmakelijk vond:

‘Het is nu een chaos. Ruzies, bijbedoelingen, partijdige critiek, vertroebeling door politieke factoren, dat alles maakt onze critiek onbetrouwbaar en onsmakelijk. En de goede, ernstige, artistieke krachten zijn verstrooid.’

Een ‘saneering van de critiek’ was volgens Donker dan ook hard nodig.

Donkers pleidooi voor een objectieve, informerende kritiek werd niet door iedereen met enthousiasme ontvangen. Jan Greshoff bijvoorbeeld reageerde fel op Donkers oproep tot ‘saneering’ en meende dat Donkers pleidooi voor een informerende kritiek niets minder betekende dan een knieval voor de lezer. Het zou alleen maar leiden tot nivellering, standaardisering en totale democratisering. ‘Leve de critische eenheidsworst!’, zo vatte Greshoff het standpunt van Donker kernachtige samen.

Opvallend is nu dat Donkersloot in het jaar dat hij deze uitspraken doet en hij ‘objectiviteit’ en ‘onpartijdigheid’ in de kritiek centraal stelt, een proefschrift publiceerde (overigens onder zijn schrijverspseudoniem) waarin hij zich uitgesproken normatief, om niet te zeggen subjectief, uitlaat. De episode van de vernieuwing onzer poëzie 1880-1894 (1929) bevat nogal wat oordelen over zowel literaire werken als over de persoonlijkheid van de kunstenaar.

Met betrekking tot dat laatste punt moet vooral Albert Verwey het ontgelden. In het dichterschap van Verwey wordt volgens Donkersloot namelijk een fataal onderscheid zichtbaar tussen ‘den mensch’ en ‘den artist’. De romantische zelfverheffing van de dichters rond De Nieuwe Gids (zoals Donkersloot de dichters van de Beweging van Tachtig bij voorkeur aanduidde) is bij Verwey verworden tot een gekunstelde pose. Verwey is geen oprechte dichter maar een ‘welbewust acteur’. Om dit proces van bewuste auteursprofilering te karakteriseren gebruikt Donkersloot een term die niet misstaat in een contemporaine letterkundige studie. Donkersloot noemt ‘het voortdurend zichzelf bezig zien, het poseren met zijn eigen dichterschap’ namelijk self-representation.

Een groot verschil met de manier waarop deze term nu wordt gebruikt is de uitgesproken negatieve connotatie die Donkersloot aan de term verbindt. Een auteur die aan self-representation doet, is volgens Donkersloot een poseur, geen ware kunstenaar.

Anno 2015, mag de literatuurwetenschapper onder geen voorwaarde een dergelijke waardering verbinden aan de concepten die hij gebruikt. Maar ook zonder die connotatie maakt het gebruik van de term in recent letterkundig onderzoek volgens mij duidelijk hoezeer we opnieuw geboeid zijn door vragen rond het verschil tussen wat Donkersloot den mensch en den artist noemde: vragen rond authenticiteit en oprechtheid van de kunstenaar en wat op een bepaald moment als een succesvolle of overtuigende ‘zelfrepresentatie’ wordt gezien.

Toen ik de term self-representation aantrof in een letterkundige studie uit 1929 werd ik mij ineens zeer bewust van het feit dat je als modern letterkundige maar weinig leest in het werk van je Nederlandse voorgangers. Het is makkelijk om iets als ‘achterhaald’ en ‘ouderwets’ te bestempelen, en we hebben het liever over ‘nieuwe richtingen’ dan over ‘tradities’, maar hoeveel interessante, eerste stappen richting het onderzoek waarvan we nu menen dat het hot & happening is, vegen we daarmee eigenlijk niet van tafel?

Net zoals er weinig over Donkersloot geschreven is, zijn er weinig afbeeldingen van hem te vinden. De foto hierboven is overgenomen uit een artikel uit 1992 van Henny Taks over Donkers gedicht ‘Ikarus’ (waarvan de eerste strofe door Marsman werd geschreven). In het kader van self-representation is het aardig op te merken dat de afbeelding van Venus (links aan de muur) een mooie verwijzing vormt naar Donkersloots geloof in kunst als drager van klassieke waarden, zie met name zijn publicatie ‘We noemen het literatuur’ (1965). De ongeordende berg papieren op zijn bureau doet denken aan de manier waarop hij zijn gedachten opschreef, namelijk allerminst netjes binnen de lijntjes. Zijn aantekeningen doen eerder denken aan een explosieve vorm van mindmapping.

Deze blog verscheen eerder deze week op Neder-L

untitledDeze week verscheen de bundel Op de hielen bij uitgeverij Vantilt. Het bevat negen opstellen waarin verschillende hedendaagse romans onder het fileermes worden gelegd. Het gaat om werken van Paul Claes, Geertrui Daem, Martin Michael Driessen, Stephan Enter, Marcel Möring, Erwin Mortier, Yves Petry, Paul Verhaeghen en Leon de Winter.

Een sterk terugkerend thema in alle besprekingen blijkt de vraag naar het literaire engagement. Waarmee engageren schrijvers van nu zich? Hoe verzetten zij zich tegen gemakzuchtige vormen van engagement en vooral: hoe zetten zij daarbij literaire, religieuze en filosofische teksten en tradities in? Wat is de kracht van het literaire ambacht?

Ik zette mijn tanden nog eens in VSV van Leon de Winter en onderzocht aan de hand van dit bizarre boek, dat nogal wat gemengde gevoelens losmaakte bij literaire critici, de (on)mogelijkheden van vermakelijk engagement. Via het perspectief van de autofictie (literatuur waarin de auteur zichzelf als personage opvoert) probeer ik de discussie over literair engagement versus literair vermaak in een ander licht te stellen.

Overige bijdragen zijn van de hand van Nijmeegse (oud-)collega’s Jeroen Dera, Jos Joosten, Jos Muijres, Johan Oosterman, Esther Op de Beek, Floor van Renssen, Mathijs Sanders en Rob van de Schoor. De redactie was in handen van Jos Muijres en Esther Op de Beek.

Op de hielen verschijnt ter gelegenheid van de 10e editie van de succesvolle postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde, die jaarlijks door de opleiding Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen wordt georganiseerd.

***

Op Neder-L verscheen op 7 januari 2015 een bespreking van Op de hielen door Marc van Oostendorp. Hierin schrijft hij onder andere over het boek: ‘Het lijkt mij wat valorisatie moet zijn: nog niet eens zozeer bijdragen aan een publieke discussie over waardevolle onderwerpen, maar die discussie een paar stappen verder helpen.’ Lees de hele recensie hier.

Op 15 mei 2015 verscheen op Platform Boekbeoordelingen nog een lovende recensie van Op de hielen. ‘[H]et mooi verzorgde boek is een weldaad van negen, veelal grondige besprekingen van (betrekkelijk) recente romans door professionele liefhebbers, elk met een eigen accent. Vrijwel ieder hoofdstuk is een geschenk van een actieve, nieuwsgierige, geverseerde, kritische, academisch geschoolde en werkzame lezer’, aldus recensent Fabian Stolk.

fish-net-13262788Vorige maand verscheen het nieuwste nummer van DW B. Het bevat een dossier – of ‘focus’ zoals de redactie het noemt – over de notie van het vangnet in de literatuur:

‘Hoe schrijven zonder vangnet, zonder ironische distantie, zonder metafictionele commentaar die alle kritiek vooraf de mond snoert? Hoe een tekst maken waarin een risico wordt genomen, waarin “de lezer het geluk wordt gegund getuige te zijn van iets dat echt is, gevaarlijk, werkelijk”, zoals samenstellers Christoph van Gerrewey en Daniël Rovers het formuleren? Die wens komt vaak neer op het schrijven van authentieke, urgente ik-teksten, hoe subjectief die termen ook mogen zijn.’

Dit schrijft hoofdredacteur Hugo Bousset in het redactioneel. De focus in dit nummer ligt dus op urgente ik-teksten, teksten die gaan om het leven van de schrijver, ‘wat niet wil zeggen dat er pure autobiografie wordt bedreven’ voegen Van Gerrewey en Rovers meteen toe. Wat bepaalt volgens hen de urgentie van een (ik-)tekst? Enerzijds het verlangen van de schrijver ‘om alles wat werkelijke belangrijk en begerenswaardig en intens is te verwoorden’. Anderzijds gaat het om teksten die op een bepaalde manier onaf zijn, die de lezer de vrijheid gunnen ‘zich op een hoogsteigen en niet vooraf bepaalde manier tot de tekst te verhouden’.

De focus biedt voorbeelden van zulke teksten o.a. van de hand van Patricia de Martelaere (over Rousseau’s Bekentenissen), Zadie Smith (over vreugde, iets anders dan plezier, vertaald door Christoph van Gerrewey), Daniël Robberechts (over het (niet) roken van een sigaret), David Foster Wallace (een vertaling van ‘All that’ door Iannis Goerlandt & Daniël Rovers) en Charles Baudelaire (fragmenten uit diens ‘Journaux intimes’, vertaald door Rokus Hofstede).

Om een mooie notitie uit DW  B van Baudelaire te citeren waarin het ‘werkelijk belangrijke’ benoemd wordt:

13. Haast ons hele leven staat in dienst van het bevredigen van de nieuwsgierigheid naar onnozelheden. Aan de andere kant zijn er dingen die onze nieuwsgierigheid in de hoogste mate zouden moeten prikkelen en waar we, te oordelen naar ons dagelijks doen en laten, volstrekt onverschillig tegenover staan.

Waar zijn onze dode vrienden?

Waarom zijn wij hier?

Komen wij ergens vandaan?

Wat is vrijheid?

Kan vrijheid samengaan met de wet van de Voorzienigheid?

Is het aantal zielen eindig of oneindig?

En het aantal bewoonbare werelden?

Enz., enz.

Voor dit nummer schreef ik het essay ‘Undo/redo: poëzie als herinneren en vergeten’ over Astrid Lampe’s prachtige bundel Rouw met diertjes waarin over rouw geschreven wordt als iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt.

Achteraf gezien biedt de notie van het vangnet met betrekking tot deze bundel een passende invalshoek: in het eerste deel van de bundel, het gelijknamige ‘rouw met diertjes’ lijkt er geen vangnet te zijn, alleen onthechting, en als er ooit een vangnet was dan voelt het niet langer veilig (‘het ons bekende is me vreemd’). In de andere twee delen echter, getiteld ‘Dronken jol’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver’, is er zeer nadrukkelijk een vangnet aanwezig; deze twee delen – die Lampe treffend ‘gesamplede bloemlezingen’ noemde – zijn ontstaan uit het knippen en plakken van regels uit twee bestaande bloemlezingen, namelijk Geboorte van het vers (1994) en Iets dat te groot is om te zien (1991). In hoeverre wordt de genoemde vrijheid van de lezer beperkt of juist vergroot door dit ‘vangnet’ van bloemlezingen uit respectievelijk de moderne Franse en moderne Amerikaanse poëzie?

Verder in dit nummer van DW B: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers, tekeningen van de IJslandse kunstenaar Sigtryggur Berg Sigmarsson en besprekingen van De beloofde dinsdag de nieuwste poëziebundel van Martijn den Ouden (door Jeroen Dera), Sjeumig van Pepijn Lanen (door Emy Koopman en Lisanne Snelders) en de jongste afleveringen van de literaire tijdschriften Deux ex Machina, De Gids en nY (door Sven Vitse).

COVER dw b 2014 2