Toekomstliteratuur

toekomstliteratuur

Hoe geven auteurs narratieve vorm aan het beeld van de toekomst en hoe kunnen wij die verhalen bestuderen? Deze vraag staat centraal tijdens het seminar ‘Toekomstbeelden in de literatuur’ dat op 17 mei a.s plaatsvindt in Utrecht, met gastlezingen van prof. Rein de Wilde, auteur van De voorspellers: een kritiek op de toekomstindustrie (2000) en Thomas Pierrart (KU Leuven) over zijn onderzoek naar Nederlandstalige toekomstromans.

Deelnemende studenten werken met speciaal voor dit thema ontwikkeld studiemateriaal in het digitaal laboratorium voor literatuuronderzoek LitLab. Dit materiaal, dat ik ontwikkelde in samenwerking met student-assistenten Tessa van de Warenburg en Evelien van Nieuwenhoven van de Universiteit Utrecht, is nu voor iedereen online te vinden op https://litlab.nl/veld/toekomstliteratuur/.

Meer informatie over het seminar is hier te vinden.

 

Vergeten boekenreeks

Johan Polak en Rob van Gennep in het kantoor van uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep, april 1967

Tussen 1961 en 1968 verscheen onder redactie van Rob van Gennep, Johan Polak en Th.A. Sontrop de paperback reeks Kartons. De serie bracht naast werk van debuterende dichters waaronder Rein Bloem, Jacques Hamelink en H.C. ten Berge en vertalingen van buitenlandse schrijvers zoals K.P. Kaváfis en Lius de Camoëns, een aanzienlijk aantal bundelingen van literair- en cultuurhistorische essays. Vaak ging het om heruitgaven van oudere teksten, zoals de Schrijfsels en schrifturen van historicus J. Presser of de kritisch-historische opstellen van de comperatist J. Kamerbeek. Maar ook nieuwe studies zoals Wisselend getij (1964) van Jenne Clinge Doorenbos over de dichterlijke en politieke activiteiten van Herman Gorter en N.A. Donkersloots Lotgevallen van een dichterschap (1965) over de receptie van Leopold vonden er een onderkomen.

swartkrans Kartons

Waar paperbackseries als de Ooievaarpockets (Bert Bakker) en de Stoareeks (Van Oorschot) inmiddels een plaats hebben verworven in de literatuurhistorische en boekwetenschappelijke overzichten daar blijven de Kartons ongenoemd. Dit terwijl het aan contemporaine waardering niet ontbrak. Kees Fens noemde de Kartons in 1964 ‘een mooie reeks (…) die het waagt boven het gegons van de actualiteit uit te gaan’. Fens had bedenkingen bij ‘de macht der paperbacks’, maar prees de kwaliteit van deze serie. Ook Pierre H. Dubois schreef positief over de reeks, in het bijzonder over de keuze van de titels. Het ging volgens hem om ‘literaire curiosa’: ‘teksten (…) welke men anders niet zo gauw of niet zo gemakkelijk onder ogen krijgt’.

Hoe functioneerde de Kartons als instrument om moeilijk toegankelijke teksten beschikbaar te maken voor een breder publiek? Welke functies vervulde de reeks in relatie tot het fonds van de jonge uitgeverij Polak & Van Gennep en het door diezelfde  uitgeverij uitgebrachte tijdschrift Merlyn (1962-1966)? En wat levert bestudering van deze door de literatuurgeschiedenis vergeten boekenreeks op als we haar begrijpen in de context van de literaire cultuur in de jaren zestig? Deze vragen komen aan bod in het artikel ‘Paperbacks met pretentie’ dat Mathijs Sanders en ik schreven voor Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon (2018).

1000_1000_6468_9789087047412.pcovr.UitDeMarge

Uit de marge verscheen vorige maand bij uitgeverij Verloren ter ere van het afscheid van Erica van Boven als hoogleraar Letterkunde aan de Open Universiteit. Leidmotieven zijn de spanning tussen high, middle en lowbrow, de argwaan jegens bestsellers, het grillige verloop van reputaties en de tijdloosheid van de culturele omnivoor.

De bijdragen zijn geïnspireerd door Erica van Bovens pleidooi voor onderzoek naar populaire cultuuruitingen en vormen samen een kleine geschiedenis van de smaak van het brede publiek.

 

 

***
Afbeelding: Johan Polak en Rob van Gennep in het kantoor van uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep, april 1967.

 

 

Kurt Schwitters (door Schippers)

kurt-schwitters-and-norway

In zijn nieuwe roman Straks komt het (2018) gaat K. Schippers op zoek naar de plekken waar Kurt Schwitters (1887-1948) woonde en werkte. De tocht leidt naar Schwitters’ geboortestad Hannover waar hij in het ouderlijk huis zijn eerste Merzbau stapelde. Het huis staat er niet meer, in de nacht van 8 oktober 1943 werd het weggebombardeerd. Ervoor in de plaats kwam een deftige herenstraat met hoge, witte huizen. ‘De kapotte wereld van Merz is opgegaan in een wit land, dat bijna niets meer over de inhoud verraad’, schrijft Schippers. De straat ziet eruit als ‘een gerestaureerd gebit, te netjes, niet de slijtage van een eeuw’. Toch neemt hij er genoegen mee.

Merzbau Hannover

Ook bezoekt Schippers samen met E. (zijn vrouw Erica) het Duitse schiereiland Rügen waar Schwitters in de jaren twintig met vrouw en zoon heeft gelogeerd. Het eiland is bekend vanwege zijn ruige kustlijn met krijtrotsen, ‘een op drift geraakte kluwen vingers steekt de zee in’, maar ook vanwege de kolos van Prora: ‘een door de nazi’s in 1935 bedacht appartementencomplex voor arbeiders en militairen om bij te komen, in de zon. Heeft Schwitters dat nog gezien?’. Of zat hij toen misschien al in Noorwegen. In Oslo begon hij aan een nieuwe Merzbau, maar ook die bestaat niet meer. In de fik gestoken door een groepje kwajongens. Hij probeert het nog eens in een Noors fjord, maar moet ook daar al snel vluchten voor de Duitsers. Richting Engeland dit keer. De laatste Merzbau kwam tot stand in het Lake District.

Kurt-Schwitters-collage

Schwitters ken ik behalve van de Merzbau, van zijn Ürsonate (om precies te zijn vooral via de vertolking daarvan door Jaap Blonk) en van zijn talloze collages met papiertjes, verpakkingen, folders, entreekaartjes, bonnetjes, alles wat een ander achteloos in de prullenbak zou hebben gegooid. In Schwitters’ handen werden ze samengevoegd tot even gebalanceerde als spannende composities. Toen ik op de kunstacademie zat, was er een student die geobsedeerd was door Schwitters’ collages. Hij imiteerde ze, maar dan in kleine aantekeningboekjes. Het beplakken van de bladzijden zorgde er uiteindelijk voor dat de boekjes zo vol werden dat ze niet meer dicht konden. De uitdaging was om er zoveel collages in de krijgen dat de beide kaften elkaar zouden raken, zodat je het rechtop kon zetten. Bladeren werd onmogelijk.

Wat nieuw is voor mij, en waar Schippers mij op wijst, zijn de schilderijen die Schwitters maakte in Noorwegen. Verstilde landschappen in olieverf. Ze zijn moeilijk te stroken met de avantgardistische werken waarmee Schwitters de kunst vernieuwde. De jonge Deense kunstenaar Per Kirkeby, die de schilderijen in de jaren zestig begon te verzamelen, noemde de landschappen ‘forbidden paintings’: ‘works that do not fit in with ‘history’’. De schilderijen, hoewel nieuwer dan de meeste collages, doen in eerste instantie inderdaad een stuk ouder aan. Toch zie je wanneer je langer kijkt – zeker naar de meer abstractere composities – dat ze niet ver van de collages of de Merzbau afstaan, dat ze misschien wel meer bij elkaar horen dan de genreconventies ons toeschrijven.

Schwitters norway

Schwitters 1

 

 

Afbeeldingen: (boven) Kurt Schwitters schildert in Noorwegen (Djupvassjytta), gefotografeerd in 1933 door zijn zoon, Ernst Schwitters. (1918-1996). Beeld via Tate Modern. (midden) De Merzbau in Hannover, gefotografeerd door Wilhelm Redemann in 1933. Beeld via Moma. Een van Schwitters vele collages. (onder) Twee van Schwitters’ landschapschilderijen, gemaakt in Noorwegen (jaren dertig).

 

 

 

 

 

Present in Reality

Volgende week start het congres ‘Picturing Reality‘ georganizeerd door de Association of Low Countries Studies (ALCS) in Sheffield. Ik heb er enorm veel zin in. Het thema vormt aanleiding om mijn favoriete beweging in de Nederlandse literatuur, het neo-realisme uit de jaren zestig, te behandelen en verder na te denken over de betekenis van het werk van auteurs als Schippers en Armando die de poëzie willen terugbrengen tot ‘een ogenblik in de gebeurtenissen van de dag’ (Leo Vroman, Ars Poetica 1959). Het wordt bovendien een feestelijke editie; het congres staat stil bij 70 jaar Nederlands aan de Universiteit van Sheffield.

FullSizeRender

uit: David Shields, Reality Hunger. A Manifesto (2010), p.46.

neo-realisme: just a joke?

Duchamp en wheel

Onder de titel ‘Picturing Reality‘ stelt het aankomende ALCS Congres (zomer 2018) de relatie tussen kunst en werkelijkheid centraal. Vertrekpunt is de aanname dat kunst – ook als zij geen nadrukkelijke band met de vertrouwde realiteit aangaat – ons iets kan leren over de werkelijkheid. Deze aanname impliceert voor de congresorganisatie dat er vooral gekeken wordt naar zogenaamde ‘contact zones’, het literaire werk als ontmoetingsplaats van feit en fictie bijvoorbeeld, of van leven en kunst, van waarheid en verbeelding. Ik neem het thema ‘Picturing Reality’ te baat om door te denken op het onderwerp waar ik al sinds mijn studie door gefascineerd ben: de manier waarop Nederlandse auteurs zich vanaf het einde van de jaren ’50 laten inspireren door de moderne beeldende kunst om de literatuur te vernieuwen en hoe dit type literatuur – door literatuurhistorici ‘neo-realisme’ gedoopt – als minder literair, en zelfs als onartistiek wordt gewaardeerd.

Recente literaire ontwikkelingen, zoals de grote populariteit van ‘waar gebeurde’ persoonlijke verhalen en de wens van schrijvers om met hun werk expliciet ‘in de wereld’ te willen staan als ook het bijbehorende engagement-debat, maken bestudering van het neo-realistische werk uit de (late) jaren ’50 en jaren ’60 opnieuw relevant. Waar kwam de behoefte van auteurs als K. Schippers en Armando vandaan om de realiteit als een ready made in de literatuur te brengen? In hoeverre verschilt het neo-realistische gebaar, of komt het overeen, met de beweging richting de werkelijkheid in de literatuur van nu, zoals die bijvoorbeeld wordt gesignaleerd door David Shields in zijn pamflet Reality Hunger (2010)?

 

Hieronder het Engelstalig abstract van mijn bijdrage aan ‘Picturing Reality’ dat plaatsvindt van 28 tot en met 30 juni 2018 aan de University of Sheffield. Zie de website van the Association for Low Countries Studies voor het volledige programma en aanmelding. 

 

Abstract

When in the 60s neo-realistic Dutch writers such as K. Schippers, J. Bernlef, Armando and Hans Sleutelaar started to adopt the ready made-principle the literary establishment was shocked. Although these writers took inspiration from international artists, such as Marcel Duchamp and Robert Rauschenberg, the application of the ‘ready made’ within (Dutch) literature was evaluated as ‘easy’, ‘lazy’, ‘just a joke’ and moreover ‘non artistic’ (see Mourits 2001).

Until today this reaction to the neo-realistic gesture pops up. Recently, critic Arjan Peters for example stated that Schippers was fooling his readers (de Volkskrant, 16/09/2017). Underneath this evaluation lies a strong believe in literature being different from reality; the idea that the artist – by means of his exceptional talent – can offer us an alternative reality. At the same time, this view is much contested by those who argue that literature should not be approached as something different from reality, but as a means to (critically) break into reality (see Vaessens 2009 and Van Rooden 2015).

Still, within this debate which in the Netherlands circles strongly around the notion of ‘engagement’, the neo-realistic gesture of the ‘ready made’ is much neglected. In my contribution I like to revisit the work of K. Schippers and Armando, two writers who are still active, and propose a different interpretation of their work within the current debate on literary engagement. As a guideline I like to take David Shields thought-provoking manifesto Reality Hunger (2010) in which Shields argues that a new literary model has arrived, one that builds heavily upon the ‘ready made’-principle and hence meets our deep need for reality in a high-tech, mediated world.

 

Afbeelding: Marcel Duchamp met Bicycle wheel (1913)   

Te verschijnen:

Tegen-de-schenen-1024x874

De roman is een hoer geworden’, schreef Marcel Möring, en met die woorden haalde hij uit naar collega-schrijvers die met toegankelijke en vlotte boeken vooral lijken te dingen naar de gunst van het grote publiek. Niet alleen Möring, maar bijvoorbeeld ook Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee, heeft zich beklaagd over een gebrek aan durf bij hedendaagse schrijvers en de eenvormigheid van hun werk.

Tegen de schenen bevat opstellen over recent verschenen boeken die de lezer niet als hapklare brokken kan verteren. Boeken die zich juist kenmerken door een zekere tegendraadsheid, door taboes aan te snijden, ethische of morele grenzen te onderzoeken of eigenzinnig afwijkend commentaar te geven op actuele vraagstukken. Soms gebeurt dat ook door te kiezen voor een heel ongebruikelijke vorm. Al deze boeken getuigen van moed en ze breken met heersende opinies en conventies. Tegen de schenen is een vervolg op het succesvolle Op de hielen (2013). De opstellen zijn weer geschreven door onderzoekers die een band hebben met de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit en zijn gewijd aan werk van Hanna Bervoets, Jeroen Brouwers, A.H.J. Dautzenberg, Arnon Grunberg, Kees ’t Hart, Auke Hulst, Tom Lanoye, Jan Lauwereyns, Ted van Lieshout, A.L. Snijders en Margot Vanderstraeten.

 

Zie ook de website van Vantilt.

Veldwerk II

veldwerk

Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

 

Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.