Archive

Neder-L

IMG-20150324-WA0004

Ongeveer een maand geleden verscheen in NRC het artikel ‘Man schrijft de boeken, man bemant de kritiek’ (10/04/2015). Naar aanleiding van de zogenaamde VIDA Count, waarin jaarlijks de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de Angelsaksische literaire wereld in kaart worden gebracht, legde NRC de eigen recensies onder de loep. Hoeveel werden er afgelopen jaar eigenlijk door een man geschreven en hoeveel door een vrouw? En wat is de verdeling als we kijken naar wát er wordt besproken?

Het resultaat was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400). Daarmee komt NRC dichter in de buurt van The New York Review of Books (81% mannelijke recensenten) dan The New York Literary Supplement (48%), overigens het enige papieren medium in het Angelsaksische taalgebied dat een min of meer gelijke verdeling weet te handhaven, aldus VIDA.

Ook wanneer wordt gekeken naar wat er wordt besproken, blijkt de situatie niet veel anders. Zowel in NRCde Volkskrant als Trouw werd het merendeel van de in 2014 besproken boeken geschreven door een mannelijke auteur (respectievelijk 74%, 70% en 65%). De conclusie dat mannen de literaire wereld beheersen ligt met deze cijfers voor de hand.

Scheve verhouding niet standaard

Het is echter niet in alle landen zo dat de literaire kritiek door mannen wordt bepaald. Enkele dagen nadat het artikel in NRC was verschenen, had ik een afspraak met Lina Samuelsson, een Zweedse literatuurwetenschapper die in 2013 promoveerde op Kritikens ordning, een proefschrift over de literaire kritiek in Zweden. Voor haar onderzoek verzamelde Samuelsson voor drie pijljaren (1906, 1956 en 2006) boekrecensies uit de belangrijkste Zweedse dagbladen en literaire tijdschriften. Per jaar bracht zij in kaart waar en hoeveel er gerecenseerd werd, wie er recenseerde en wat er gerecenseerd werd. Vervolgens analyseerde zij welke evaluatiecriteria op een bepaald moment werden gehandhaafd, welke thema’s dominant waren en welke ideeën heersten over de taak en de functie van de criticus.

Een opvallende uitkomst van het kwantitatieve deel van het onderzoek was dat er in 2006 net zoveel mannen als vrouwen literaire kritieken schreven. Ook was het aandeel recensies over boeken van vrouwelijke auteurs flink toegenomen. Dit verraste Samuelsson vooral, vertelde zij mij, omdat de Zweedse literaire kritiek vijftig jaar eerder nog een echt mannenbolwerk was.*

Waarom is die verhouding in slechts 50 jaar zo drastisch veranderd? Volgens Samuelsson vormde het moment waarop Zweedse krantenredacties in de vroege jaren 2000 zelf begonnen te tellen een belangrijke keerpunt. Daarna werd er doelbewust meer gelet op de man/vrouwverdeling van zowel recensenten als besproken boeken. Met verbazing hoorde zij over de zojuist gepubliceerde Nederlandse cijfers. De verhouding zoals zichtbaar in de huidige Nederlandse literaire kritiek was in Zweden simpelweg ondenkbaar geworden.

Leren van Zweden?

Lopen we in Nederland op dit gebied achter? Dat zou goed kunnen. Kijken we bijvoorbeeld naar de garde jonge schrijvers dan kan daar allerminst gesproken worden van mannendominantie. Vrouwelijke auteurs zijn goed vertegenwoordigd in boekhandeltop10’s en nominatielijsten. Als ik optimistisch ben zou ik zeggen dat het enkel een kwestie van tijd is tot ook de kritiek een wisseling van de wacht maakt en er – in navolging van de literaire ontwikkeling – een andere verhouding zichtbaar wordt. Niet voor niets, werden er afgelopen jaar naast kritische kanttekeningen over de scheve sekseverhoudingen ook opmerkingen gemaakt over de ‘middelbare’ leeftijd van de gemiddelde recensent.

Anderzijds meen ik dat de Zweedse situatie heel goed laat zien dat tellen alleen niet voldoende is. Op basis van de cijfers is men het beleid gaan aanpassen en begonnen van bovenaf veranderingen door te voeren. Zo werden niet alleen meer vrouwen aangenomen maar kregen bijvoorbeeld mannelijke recensenten de opdracht typische ‘vrouwenboeken’ te bespreken en moesten vrouwelijke recensenten meer ‘masculiene’ boeken beoordelen, zo schrijft Samuelsson: ‘Att välja manliga recensenter till traditionellt kvinnliga verk kan ha varit ett medvetet agerande för att bryta könsstereotyper.’ (118) Een eenvoudige en doeltreffende maatregel om bestaande stereotypen te doorbreken?

.

.

.

* De rol van de vrouw in de jaren vijftig was wat dat betreft nog slechter dan in 1906, toen de Zweedse literaire kritiek weliswaar sterk gesegregeerd was (vrouwen bespraken kinderliteratuur en de boeken van schrijfsters) maar de man/vrouwverhouding niet uitzonderlijk scheef.

.

Deze column verscheen eerder op Neder-L

Advertisements
calvin_hobbes_writing

Gisteren schreef Marc van Oostendorp op Neder-L over Steven Pinkers nieuwe boek The Sense of Style. Het herinnerde mij aan een essay van Pinker dat ik onlangs las in The Chronicle of Higher Education. Het essay – overigens bedoeld als teaser bij het boek – fascineerde mij omdat het opende met eenzelfde vraag die Karel van ‘t Reve alweer 36 jaar geleden stelde in zijn beruchte Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid. In ‘Why Academics Stink at Writing’ vraagt Pinker zich af:

‘Why should a profession that trades in words and dedicates itself to the transmission of knowledge so often turn out prose that is turgid, soggy, wooden, bloated, clumsy, obscure, unpleasant to read, and impossible to understand?’

Van ’t Reve meende dat het een bewuste keuze was van de literatuurwetenschapper om onleesbaar te schrijven. Academici zouden een obscuur jargon hebben ontwikkeld om te verhullen dat ze eigenlijk niets te zeggen hebben. Ze kleden het triviale stilistisch op zo’n manier in dat het complex en wetenschappelijke klinkt.

Precies dit argument haalt Pinker aan in de opening van zijn artikel, maar anders dan Van ’t Reve schuift hij het ook meteen weer van tafel. Het is onzin te stellen dat academici slechts het triviale opvijzelen, meent Pinker. Daarnaast valt het hem op dat wanneer je academici spreekt zij prima in heldere taal kunnen uitleggen waar hun onderzoek over gaat. En toch schrijven zij beroerde artikelen! Er is dus iets anders aan de hand.

Een van de problemen van academisch schrijven is volgens Pinker dat het een mix van twee stijlen is. Enerzijds vinden we een praktische stijl (communicatie volgens een vertrouwde tekstopbouw), anderzijds een zelfreflexieve of ‘postmoderne’ stijl. Die tweeledigheid wordt veroorzaakt door het feit dat academische teksten niet alleen gericht zijn op de communicatie van nieuwe kennis, zij zijn volgens Pinker misschien nog wel meer gericht op ‘selfpresentation’. Het is deze academische zelfpresentatie die leidt tot vermoeiend en saai metadiscours (het steeds weer expliciteren van de tekststructuur), tot academisch narcisme (het verwijzen naar de academische arbeid zelf) en tot eindeloos verontschuldigen en indekken.

De tweeledige stijl reflecteert het gegeven dat academici in twee werelden leven:

‘the world of the thing they study (the poetry of Elizabeth Bishop, the development of language in children, the Taiping Rebellion in China) and the world of their profession (getting articles published, going to conferences, keeping up with the trends and gossip).’

Academici zouden er volgens Pinker beter aan doen de obsessie met die laatste wereld los te laten. Dan ontstaat meer ruimte voor het bredere publiek waar zij altijd óók voor schrijven, een publiek dat nu, door de fixatie op de eigen gemeenschap, al te vaak buiten beeld valt.

Dit lijkt mij makkelijker gezegd dan gedaan. Allicht lukt het om leesbaardere teksten te produceren als we gebruik maken van de ‘classical style’ die Pinker in dit essay en in zijn boek The Sense of Style voorstaat en die kortgezegd het zelfreflexieve aspect van academisch schrijven wil indammen. Maar wordt met die grotere leesbaarheid niet ook de ‘wetenschappelijke autoriteit’, of zo je wilt integriteit, van de teksten aangetast?

Deze vraag kwam bij mij op na het lezen van een blog over academisch schrijven van de Britse schrijver en filosoof Will Buckingham. Buckingham gebruikte daarin de termen ‘professionalism’ en ‘amateurism’ om een ietwat andere tweeledigheid van de academische schrijfarbeid te vangen. Namelijk die tussen de academicus die zich committeert aan een bepaalde professionele praktijk, en de academicus als amateur, als ‘one who has a taste for something’. In lijn met zijn betoog hoeft de wetenschapper niet de academische wereld te vergeten (zou dat hem immers niet ‘onprofessioneel’ maken?) maar moet hij simpelweg iets meer openstaan voor de amateur in zichzelf: ‘Writers need to be amateurs if they are going to write anything worth writing’.

Waar Buckingham helaas geen antwoord op geeft, is de vraag waar deze academische amateurschrijver zich moet profileren. In zijn onderzoekspapers, of zoals Buckingham zelf laat zien, in een meer persoonlijke blog?

***

Deze tekst verscheen op 27 oktober als column op Neder-L.

In zijn essay verwijst Steven Pinker naar bovenstaande cartoon van Calvin & Hobbes.