Archive

artikel

Waarom zou iemand Nederlandse letterkunde gaan studeren?

Waarom zou iemand eigenlijk géén Nederlandse literatuur willen studeren?!

 

Hierover verscheen in de jongste VakTaal, het tijdschrift van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, het artikel ‘Criticus of wetenschapper? Onderzoek naar de disciplinaire identiteit van de letterkundige neerlandistiek’.

FullSizeRender (1)

 

 

Advertisements

petite histoire omslag en flaptekstBij uitgeverij Les Impressions Nouvelle verscheen onlangs de ongewone literatuurgeschiedenis Petit musée d’histoire littéraire (redactie Nadja Cohen en Anne Reverseau). Aan de hand van beschrijvingen van objecten biedt het boek een blik op de literaire verbeelding in de periode 1900 tot 1950. Het gaat om de beschrijvingen van alledaagse objecten zoals de fiets, de ligstoel, het toilet; om herkenbare schrijversattributen zoals de typemachine en het tijdschrift; en om typische modernistische uitvindingen zoals het vliegtuig, de grammofoon, de radio. Door het prisma van de objecten beziet Petit musée d’histoire littéraire de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen tussen 1900 en 1950. De schrijver wordt daarbij opgevoerd als bevoorrechte ooggetuige van de sociale en politieke veranderingen in deze turbulente periode.

 

Het boek werd gemaakt door leden van de Leuvense onderzoeksgroep MDRN. Als gastonderzoeker van die groep schreef ik voor Petit musée een bijdrage over ‘Le mouchoir’: de zakdoek van Emma Bovary, de rode zakdoek van Morgensterns Palmström en het ondergrondse tijdschrift De Schone Zakdoek vertellen hun eigen kleine geschiedenis in de geschiedenis van Petit musée.

 

Zie de website van de uitgever voor een inzage in het boek en hieronder voor de inhoudsopgave.

petite histoire inhoud

 

 

 

Verwey in zijn studiekamer 1910 Op 14 november 1924 werd de dichter en criticus Albert Verwey (1865-1937) bij Koninklijk Besluit benoemd tot hoogleraar letterkunde en wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn leeropdracht betrof het onderwijzen in de ‘Nederlandse letteren, haar geschiedenis en esthetische kritiek’. De benoeming van Verwey was een novum, niet eerder werd iemand zonder academische scholing aangesteld als hoogleraar. De studie van de literatuur, zij het van tijdgenoten of van voorgangers, was vanaf het begin een belangrijke pijler onder Verweys creatieve werk, en hij voelde zich dan ook verplicht om dit in zijn oratie ‘Van Jacques Perk tot nu’ (1925) te benadrukken:

 ‘Mijn studie is nooit op het onderwijs, maar uitsluitend op mijn dichterlijk werk en de beoordeeling van letterkundige geschriften geweest. Opleiding aan een hoogeschool heb ik nooit genoten. […] Redenen genoeg, mijnerzijds, om niet zonder moeite tot de aanvaarding van dit ambt te besluiten.’

Het domein van de academische literatuurstudie was voor Verwey duidelijk een heel andere dan het domein van de niet-academische literatuurbeschouwing. Hij sprak dan ook over twee verschillende werelden waartussen enige mate van onbegrip heerst: de literator voelde zich ‘een vreemdeling’ binnen de muren van de academie.

Wat waren de criteria voor afbakening van de twee werelden? Deze vraag staat centraal in mijn artikel ‘‘De vraag is deze: waarom is een akademisch neerlandicus zulk een heel ander mens dan een nederlands letterkundige?’ Literatuurkritiek en literatuurwetenschap: het hoogleraarschap van Albert Verwey (1865-1937)’ dat deze maand verscheen in het tijdschrift Nederlandse Letterkunde. Andere artikelen in dit nummer zijn van de hand van Gilles Dorleijn (RUG) en Ralf Grüttemeier (Universität Oldenburg). Abstracts zijn hier te lezen.

***

De foto van Albert Verwey is afkomstig uit Het Geheugen van Nederland. Hier zijn meer mooie portretfoto’s te vinden, zoals deze met de Duitse dichter Stefan George, maar ook foto’s van aantekeningen voor gedichten en lezingen (zoals Verweys afscheidscollege ‘Het lezen en schatten van gedichten‘ (1935)).

ReveThis month I received the Conference Proceedings of the IRUN Graduate Conference (Peter Pasmany Katholic University). It contains a wide variety of lectures held by PhD’s in Social Sciences, Psychology and the Humanities.

In my lecture entitled ‘The Literary Scholar as Literary Critic’ I took the opportunity to present my latest case study that deals with the infamous Huizinga-lezing of the Dutch scholar and critic Karel van het Reve ‘Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid (Literary Studies: the Riddle of Unreadability) (1978). It meant a frontal attack on the works of contemporary Dutch literary scholars and the way Literary Studies was practiced at that moment.

What arguments does Van het Reve use to legitimate the profession of the literary scholar? What are the intertextual scientific traditions he places himself in? What normative statements does he make in respect to the scholarly enterprise of Literary Studies? And how can an analysis of a text like this help us to better understand the underlying norms and values that define the academic study of literature in general?

The Conference Proceedings are published open access. The article ‘The Literary Scholar as Literary Critic’ can be read here (scroll to page 45).

Extra-tijd-e1350808031625Deze maand verscheen het nieuwe nummer van Dietsche Warande & Belfort. Het dossier ‘Je tikt er tegen en het zingt’ verkent het grensverkeer tussen woord en klank, met bijdragen van o.a. Bart Vervaeck, Hans Demeyer, Katherina Lindekens, Jeroen van Rooij en Geert Beulens.

Jeroen Dera en ik schreven voor de Jonge Wolven-rubriek over authenticiteit en artistieke geloofwaardigheid in de auto-fictionele romans Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg enVSV of daden van onbaatzuchtigheid van Leon de Winter. Hoe moet de lezer de ‘authenticiteit’ die dit werk poogt te bieden begrijpen? En wat zegt het over ons, als wij vinden dat de figuur van de schrijver authentieker is in de fictieve ruimte – de schrijver laat zijn ware zelf zien in de gemaaktheid van de roman – dan in de publieke ruimte?

sote001stru01_01_tpg

Hoe nieuw zijn de nieuwe vragen van de computationele literatuurwetenschap?

Rens Bod reageerde op zijn weblog De vergeten wetenschappen op mijn artikel ‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ waarin ik zijn afschaffing van de geesteswetenschappen à la Wilhelm Dilthey in historische context plaats en me afvraag of een heroverweging van de ‘oude’ geesteswetenschappelijke vraag niet beter zou zijn. Bod schrijft in zijn reactie onder andere:

“Dankzij het patroonzoeken en de digitale analyse van enorme hoeveelheden “big data” (bv. miljoenen boeken, kunstwerken of muziekstukken) worden vragen opgeroepen die zonder de computer niet eens gesteld hadden kunnen worden, laat staan beantwoord.

Wat betekent het bijvoorbeeld als we menselijke oordelen over literaire kwaliteit met de computer kunnen modelleren? En wat betekent het als we universele patronen in muziek hebben gevonden? Deze “big patterns” hebben we ondertussen weliswaar gedetecteerd, maar inzicht in de betekenis van dit soort patronen wordt nog node gemist. Hier is sprake van een onontgonnen terrein dat, in weerwil van wat Marieke Winkler stelt, in niets lijkt op het vakgebied der letterkundige neerlandistiek van een eeuw geleden.”

Bod stelt hier dat de nieuwe digitale technieken ertoe hebben geleid dat de computationele geesteswetenschappen totaal nieuwe vragen opwerpt. De vraag naar literaire kwaliteit bijvoorbeeld wordt op dit moment onderzocht in het project ‘The riddle of literary quality‘. Dit project hoopt met behulp van de computer antwoord te kunnen geven op de vraag welke eigenschappen een roman moet hebben om als literatuur te worden beoordeeld. De beschrijving van het project poneert dat deze vraag nog nauwelijks onderzocht is, een twijfelachtige uitspraak. Sinds New Criticism in de jaren ’60 grote invloed ging uitoefenen op de Nederlandse literatuurwetenschap wordt onderzocht wat literatuur tot literatuur maakt. Men hoort in de projectomschrijving van ‘The riddle of literary quality’ de echo van een structuralist als Sötemann, die in De structuur van Max Havelaar (1973) schrijft ‘dat het in beginsel mogelijk is (…) in een literair kunstwerk objectief de aanwezigheid aan te tonen van de grondslagen van een waarde-oordeel’. (11)

Een ander voorbeeld dat me te binnen schiet: in haar oratie De stijl van R‘ neemt Karina van Dalen-Oskam letterlijk een oude vraag op. Er is al veel gespeculeerd over welk aandeel Betje Wolff of Aagje Deken nu had in het door hen samen uitgegeven werk. In 1984 schrijft biograaf Buijnsters dat het even ‘onmogelijk’ als ‘zinloos’ is om middels een sorteerproef definitief te bepalen hoe het zit. Van Dalen-Oskam gaat de uitdaging aan en laat in haar oratie zien hoe zij de computer gebruikt om er achter te komen hoe de auteurs het werk verdeelden in hun gezamenlijk geschreven briefroman Sarah Burgerhart (1782). Haar conclusie is uiteindelijk dat ‘de briefromans (…) het resultaat [zijn] van intensieve samenwerking van twee vrouwen die ook ten tijde van hun debuut al voorbeeldig op elkaar waren ingespeeld.’ (17) Voor een dergelijke conclusie lijkt mij de computer niet van doorslaggevend belang.

Fundamenteler is echter, de constatering dat het vooralsnog wel meevalt met het stellen van nieuwe (spannende) vragen. Het zoeken naar patronen en het interpreteren van unieke, context-gebonden fenomenen is wat de geesteswetenschappelijke arbeid bij uitstek karakteriseert. Bod meent dat ik het vernieuwende van de digitale aanpak onderschat. Wat ik in mijn artikel vooral bepleit is dat we ons door de komst van een nieuwe techniek -waarvan ik de talloze nieuwe mogelijkheden die het kan bieden voor geesteswetenschappelijk onderzoek geenszins betwijfel- niet moeten laten afleiden van dat waar het binnen de geesteswetenschappen om gaat: het bestuderen van het unieke, zo men wil subjectieve, op een objectieve manier. De vraag ‘welke eigenschappen moet een roman hebben om literatuur te worden genoemd?’ leert ons minder over ons mens-zijn dan de vraag wie op een bepaald moment en in welke setting bepaalde wat goede literatuur was (én wat niet), en vooral: waarom? Wat betekent ‘goed’ of ‘slecht’ hier? Kan dat met de computer worden vastgesteld?

Lees het artikel ‘Interpretatie en/of patroon‘ hier.

VooysVoor het jongste nummer van Vooys (dit Paasweekend verschenen) schreef ik een artikel naar aanleiding van Rens Bods oratie Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 (2012)

In zijn oratie  pleit Rens Bod voor een ‘geesteswetenschappen 3.0’ waarin systematische analyse en interpretatie worden verenigd. In mijn artikel onderzoek ik in hoeverre dit voorstel nieuw is en laat ik zien hoe de Nederlandse letterkunde -de ‘geesteswetenschap’ die zich als één van de eerste in Nederland kon verheugen op een status als zelfstandige academische discipline- zich bij haar ontstaan al tussen de twee vuren van exacte wetenschap en subjectieve literatuurkritiek bevond. Kan dit deel van de vakgeschiedenis een nieuwe blik werpen op de taak die de geesteswetenschapper zich heden ten dage zou moeten stellen?

Tegenover Bods herlezing van de disciplinaire tradities gericht op de positivistische ‘patronen’ presenteerde ik in dit artikel een zeer beknopte proeve van een herlezing die vertrekt vanuit de patronen én de interpretatie, daarmee pleitend voor een herbronning vanuit de eigen waardevolle kritisch-hermeneutische traditie.

‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ verscheen in Vooys 31.1.

De oratie van Rens Bod is te lezen op zijn blog De vergeten wetenschappen.