neo-realisme: just a joke?

Duchamp en wheel

Onder de titel ‘Picturing Reality‘ stelt het aankomende ALCS Congres (zomer 2018) de relatie tussen kunst en werkelijkheid centraal. Vertrekpunt is de aanname dat kunst – ook als zij geen nadrukkelijke band met de vertrouwde realiteit aangaat – ons iets kan leren over de werkelijkheid. Deze aanname impliceert voor de congresorganisatie dat er vooral gekeken wordt naar zogenaamde ‘contact zones’, het literaire werk als ontmoetingsplaats van feit en fictie bijvoorbeeld, of van leven en kunst, van waarheid en verbeelding. Ik neem het thema ‘Picturing Reality’ te baat om door te denken op het onderwerp waar ik al sinds mijn studie door gefascineerd ben: de manier waarop Nederlandse auteurs zich vanaf het einde van de jaren ’50 laten inspireren door de moderne beeldende kunst om de literatuur te vernieuwen en hoe dit type literatuur – door literatuurhistorici ‘neo-realisme’ gedoopt – als minder literair, en zelfs als onartistiek wordt gewaardeerd.

Recente literaire ontwikkelingen, zoals de grote populariteit van ‘waar gebeurde’ persoonlijke verhalen en de wens van schrijvers om met hun werk expliciet ‘in de wereld’ te willen staan als ook het bijbehorende engagement-debat, maken bestudering van het neo-realistische werk uit de (late) jaren ’50 en jaren ’60 opnieuw relevant. Waar kwam de behoefte van auteurs als K. Schippers en Armando vandaan om de realiteit als een ready made in de literatuur te brengen? In hoeverre verschilt het neo-realistische gebaar, of komt het overeen, met de beweging richting de werkelijkheid in de literatuur van nu, zoals die bijvoorbeeld wordt gesignaleerd door David Shields in zijn pamflet Reality Hunger (2010)?

 

Hieronder het Engelstalig abstract van mijn bijdrage aan ‘Picturing Reality’ dat plaatsvindt van 28 tot en met 30 juni 2018 aan de University of Sheffield. Zie de website van the Association for Low Countries Studies voor het volledige programma en aanmelding. 

 

Abstract

When in the 60s neo-realistic Dutch writers such as K. Schippers, J. Bernlef, Armando and Hans Sleutelaar started to adopt the ready made-principle the literary establishment was shocked. Although these writers took inspiration from international artists, such as Marcel Duchamp and Robert Rauschenberg, the application of the ‘ready made’ within (Dutch) literature was evaluated as ‘easy’, ‘lazy’, ‘just a joke’ and moreover ‘non artistic’ (see Mourits 2001).

Until today this reaction to the neo-realistic gesture pops up. Recently, critic Arjan Peters for example stated that Schippers was fooling his readers (de Volkskrant, 16/09/2017). Underneath this evaluation lies a strong believe in literature being different from reality; the idea that the artist – by means of his exceptional talent – can offer us an alternative reality. At the same time, this view is much contested by those who argue that literature should not be approached as something different from reality, but as a means to (critically) break into reality (see Vaessens 2009 and Van Rooden 2015).

Still, within this debate which in the Netherlands circles strongly around the notion of ‘engagement’, the neo-realistic gesture of the ‘ready made’ is much neglected. In my contribution I like to revisit the work of K. Schippers and Armando, two writers who are still active, and propose a different interpretation of their work within the current debate on literary engagement. As a guideline I like to take David Shields thought-provoking manifesto Reality Hunger (2010) in which Shields argues that a new literary model has arrived, one that builds heavily upon the ‘ready made’-principle and hence meets our deep need for reality in a high-tech, mediated world.

 

Afbeelding: Marcel Duchamp met Bicycle wheel (1913)   

‘Scientific’ Literary Studies

Matthew_Arnold_Waddy_1872

On December 20th, literary scholar Angus Nicholls (Queen Mary University London) will deliver a lecture on the ‘science’ of literary studies for the national research school literary studies (OSL). After his lecture – entitled ”Scientific’ Literary Studies During the Late Nineteenth Century and Today: a Critical Overview’ – there will be time for discussion on the question of literary studies’ scientific state and status, then and now, in and outside the Netherlands.

Everybody is warmly invited to attend the lecture and discussion!

The event takes place in Amsterdam from 15:00 to 17:00 (PCHoofthuis, room 5.59). See also the website of OSL for the details.

 

Short summary of the lecture:

The late nineteenth century was a period in which academic disciplines began to form and professionalize themselves in modern research universities. Like many disciplines during this period, literary studies (Literaturwissenschaft) attempted to establish itself by arguing that its methods were ‘scientific’ or wissenschaftlich. But here the key term in the debate – that of ‘science’ (Wissenschaft) – was a contested one, and was defined in different ways, in different cultural contexts, by different protagonists in the field. In this paper, I will attempt to show that these nineteenth-century debates on the ‘scientific’ nature of literary studies bear a striking similarity to present day discussions. This is so because – especially in the UK system – the humanities continue to be assessed and funded according to models predominantly derived from research in the natural sciences; models which favour a linear conception of objective scientific progress and which valorise quantifiable impact upon society. This paper will offer an overview of this subject in relation to British and German intellectual history, as part of an introduction to a larger monograph project. Some of the better-known thinkers treated will include Matthew Arnold, Thomas Henry Huxley, Wilhelm Dilthey and Wilhelm Scherer.

 

Afbeelding: Matthew Arnold (1822-1888) balancing between poetry and philosophy by Frederick Waddy, 1872

 

 

 

Presentatie op VAL-onderzoeksdag

Op 6 mei vindt de jaarlijkse VAL-onderzoeksdag plaats aan de Universiteit van Antwerpen. Tijdens de onderzoeksdag, die wordt georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap (VAL), presenteren jonge onderzoekers uit Vlaanderen en Nederland hun lopend onderzoek. Ervaren literatuurwetenschappers worden uitgenodigd te reageren op de voordrachten. De dag wordt geopend door een plenaire sessie over ‘De maatschappelijke relevantie van de humane wetenschappen’ en afgesloten door een Rondetafel gesprek met Hans Willems (FWO), Geert Buelens (Universiteit Utrecht), Frank Willaert (Universiteit Antwerpen), Elizabeth Amann (UGent) en Frederik Van Dam (KULeuven).

In de middagsessie ‘Kruispunten’ zal ik mijn promotieonderzoek presenteren. Ik grijp de mogelijkheid aan om het nog eens te hebben over Nico Donkersloot.

Hieronder alvast het abstract:

 

De “objectieve” kritiek van Nico Donkersloot (1902-1965)

Sinds het ontstaan van de letterkundige neerlandistiek als academische discipline hebben wetenschappers geprobeerd de academische literatuurbeschouwing af te bakenen van publieke vormen van literatuurbeschouwing. Die demarcatie bleek in de praktijk echter bijzonder lastig en tot de dag van vandaag zijn er voorbeelden te vinden van academici die hun wetenschappelijke arbeid combineren met een functie als criticus, essayist, romanschrijver of dichter.

Sommigen menen dat deze vermenging van activiteiten de betrouwbaarheid van de literatuurwetenschap geen goed doet, bijvoorbeeld Nico Laan in Het belang van smaak 1998 of Vaessens en Bijl in Literatuur in de wereld 2014. Anderen menen dat de twee activiteiten prima naast elkaar kunnen bestaan. Zo stelde prof. Yra van Dijk recentelijk in haar oratie Fanfare uit de toekomst (2014): ‘Als ik kritieken schrijf, heb ik een andere pet op dan wanneer ik onderzoek doe.’ (9) Op basis van welke criteria wordt er op een bepaald moment een onderscheid gemaakt tussen de wetenschappelijke bestudering en de niet-wetenschappelijke bestudering van literatuur door critici en essayisten?

In mijn proefschrift bestudeer ik deze vraag aan de hand van de praktijk van enkele uitgesproken ‘dubbelfiguren’ uit de geschiedenis van de letterkundige neerlandistiek, figuren die een wetenschappelijke functie combineerden met een functie in het publieke domein. In mijn presentatie licht ik mijn doctoraatsonderzoek graag toe aan de hand van de praktijk van één van die figuren: Nico Donkersloot (1902-1965), dichter, criticus, oprichter van het literaire maandblad Critisch Bulletin (1930-1957) en, vanaf 1936, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Amsterdam.

 

Het volledige programma en alle abstracts zijn hier te vinden.

 

The Making of the Humanities

MAKHUM IV poster

Within two weeks the fourth conference on the history of the humanities, ‘The Making of the Humanities IV’ will take place at the Royal Netherlands Institute in Rome. This series of biennially organized conferences brings together scholars and historians interested in the comparative history of the humanities.

For some time histories of single humanities’ disciplines exist, in the case of literary studies one can think for example of Gerald Graffs Professing Literature. An Institutional History (1987) and the Dutch study Het belang van smaak. Twee eeuwen academische literatuurgeschiedschrijving (1997) by Nico Laan. Yet, the history of the humanities as a whole has only very recently been object of study.

While previous editions of ‘The Making of the Humanities’ conference focus on a specific period, this fourth edition welcomes papers on any period, taking as its central theme ‘Connecting Disciplines’ with a special interest in comparing methods and patterns across disciplines. Keynote lectures will be held by Fenrong Liu (Tsinghua University, Department of Philosophy), Hans-Jörg Rheinberger (Max Planck Institute for the History of Science) and Helen Small (University of Oxford, Faculty of English).

I am very thrilled to deliver a paper on the first day of the conference on ‘Criticism as a Connecting Principle: ‘Modes of Subjectivity’ in the Humanities’. In the paper, I would like to approach criticism as a scientific ‘mode of subjectivity’. According to Steven Shapin the inquiry of scientific modes of knowledge-making focuses primarily on objectivity (as an ideal). As a result, the investigation of the workings and specific forms of subjectivity in science is often neglected. Yet, when thinking about connecting disciplines in the Humanities the aspect of criticism can offer a fruitful insight in the way the Humanities form a whole. The study of the precise workings and functionalities of this special mode of knowledge-making in the day-to-day work of scholars is much needed: What do we actually mean when we speak – as academics – of criticism? Does the academic idea of criticism differ from the public idea of criticism, and if so, in what respect? How do conceptions of criticism change through time? In my paper I will give a demonstration of current research into the interrelation of scholarship and criticism that is characteristic of the history of the Humanities.

For more information on the conference see the website: http://makingofthehumanities.blogspot.be/ 

Wat er gebeurt tussen de verhalen

DSC_0857~2Op woensdag 12 maart verzorg ik in het kader van de post-academische cursus ‘Recente Nederlandse en Vlaamse literatuur’ een lezing over K. Schippers’ laatste verhalenbundel Voor jou (2013).

In de verhalen uit Voor jou gaat Schippers op zoek naar het model van de schilder Balthus, volgt hij de gang van de jonge Rudy Kousbroek door het centrum van Amsterdam naar school, snuffelt hij in de aantekeningen van de operateur van het Hallen Theater en bladert hij in het boek Reflections and Shadows van de tekenaar Saul Steinberg. De verhalen van zijn zoektochten probeert hij tot een geheel te componeren tijdens een verblijf als gastdocent in Brussel. Er is echter iets dat zich tussen de verhalen wringt, iets wat zich opdringt, iets wat het ritme van de verhalen verstoort… Op pagina 64 van de bundel wordt duidelijk wat dat ‘iets’ is:

“Twee vrienden van me zijn ziek, Henk en Gerard, het voelt alsof ik ze in Nederland heb achtergelaten. Ik wilde het eerst buiten de verhalen houden, maar dat lukt me niet.”

In mijn lezing, getiteld ‘Wat er gebeurt tussen de verhalen’, probeer ik uit te pluizen hoe de twee overleden vrienden van de schrijver (Gerard Brands en J. Bernlef) zich precies in de verhalen nestelen, hoe het spel met heden en verleden gespeeld wordt en of we Voor jou misschien moeten begrijpen als een ‘herinneringsroman’.

IMG_20140305_125151

The Literary Scholar as Literary Critic? (lecture)

DSC_0192-1On the 30th of August I presented my research at the IRUN Graduate Conference (Peter Pasmany Katholic University) to an international public of PhD’s in Social Sciences, Psychology and the Humanities. I took the opportunity to present my latest case study that deals with the infamous Huizinga-lezing  ‘Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid‘ (Literary Studies: the Riddle of Unreadability). The lecture was delivered in december 1978 by Dutch Professor of Slavic Literary Studies Karel van het Reve and meant a frontal attack on the work of contemporary Dutch literary scholars and the way Literary Studies was practiced at that moment. What arguments did Van het Reve use to legitimate the profession of the literary scholar? What were the intertextual scientific traditions he placed himself in? And what normative statements did he make in respect to the scholarly enterprise of Literary Studies in general?

The preposition of my paper is that the study of the competition between the public and the academic discourse on literature can contribute to our understanding of the underlying norms and values that define the academic study of literature itself (at a given historical moment). The paper -with full title  ‘The Literary Scholar as Literary Critic? How the study of the relation between the academic and the public discourse on literature can help to understand the function and value of Literary Studies’- will be, most likely, published in the Conference Proceedings.

Also, I wrote a personal impression (in Dutch) of the conference itself that I found eyeopening because of the extreme diversity of disciplines and subjects. As a literary scholar of Dutch literature the question how to present your research to people working in totally different fields of study is not just challenging, it is also essential for our self understanding.

Niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

Martha Nussbaum komt naar Nederland. Haar boek Not for profit: Why Democracy needs the Humanities  (2010) staat centraal tijdens het congres ‘Arts and Humantities: Of(f) Course’ dat wordt gehouden rond haar bezoek aan de universiteit van Groningen op 25 en 26 juni. Ik gebruikte haar pleidooi voor de geesteswetenschappen bij een lezing over mijn onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present.  De lezing vond op 28 april plaats aan de Karelsuniversiteit te Praag voor Tsjechische studenten Nederlands en studenten Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen:

kaftnussbaum

Literatuurwetenschap: niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

De geesteswetenschappen verkeren in zwaar weer. In een maatschappij waarin het gaat om het behalen van maximale winst scoren zij beneden de maat.* Iedereen die een letterenstudie gaat doen weet het; je doet dat immers niet omdat je er rijk van gaat worden.

In de 19e eeuw stonden de geesteswetenschappen in hoog aanzien en vormden zij zelfs een voorbeeld voor andere wetenschappelijke disciplines, met name de filosofie en de geschiedwetenschap vervulden een voorbeeldfunctie. Zij hadden hun eigen methode ontwikkeld, de methode van het ‘verstehen’ (begrijpen, of inleven) tegenover de methode van de natuurwetenschappen die gericht was op verklaren en het blootleggen van universele wetten en patronen. De methode van het verstehen  had de geesteswetenschap een eigen identiteit en bestaansrecht gegeven.

Dat oorspronkelijke aanzien is tegenwoordig flink gedaald. Kleine letterenstudies, zoals Romaanse talen, theologie, kunstgeschiedenis, maar inmiddels ook de neerlandistiek zien hun studentenaantallen teruglopen en ook op de middelbare school is het profiel ‘cultuur en maatschappij’ niet erg gewild.

De geesteswetenschappen moeten zich dan ook voortdurend rechtvaardigen, de vraag wat het nut is van de geesteswetenschappen wordt keer op keer gesteld. Reden voor de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum om een pamflet te schrijven: Niet voor de winst  (2010, vertaling 2011). Hierin is zij zeer kritisch op de ontwikkeling in onderwijs en onderzoek aan de universiteit die het meetbare en winstgevende tot leidraad maakt van haar praktijk:

‘Dorstend naar nationaal gewin ontdoen vele landen en de daarin bestaande onderwijsstelsels zich achteloos van allerlei competenties die noodzakelijk zijn voor het levend houden van democratieën. Als deze trend zich voortzet, zullen landen overal ter wereld binnenkort generaties nuttige machines afleveren in plaats van volwaardige burgers die instaat zijn om zelfstandig te denken en zich kritisch op te stellen ten aanzien van de traditie’. (16)

Het aanzien en de positie van de geesteswetenschappen mag in vergelijking met de 19e eeuw zijn veranderd, de vraag naar het nut van de geesteswetenschappen is echter allerminst nieuw. Al sinds haar ontstaan moeten menswetenschappen zich verantwoorden ten opzichte van de natuurwetenschappen. En dat niet alleen: ook ten opzichte van het publieke veld moeten zij zich keer op keer legitimeren.

Het onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  komt voort uit de vraag hoe literatuurwetenschappers zich legitimeren ten aanzien van dit publieke veld, dat zijn: de niet-academische literatuurbeschouwers, de literaire critici die werkzaam zijn in publieke media zoals kranten en tijdschriften. In het onderzoek wordt gekeken hoe de literatuurwetenschap zich door de tijd heen positioneert ten aanzien van dit publieke veld: waarom hebben we eigenlijk een literatuurwetenschap nodig als er ook een literaire kritiek is, die werken bestudeert, ze in historische context plaatst en analyseert op belangwekkende motieven en thema’s én ze bovendien ook nog beoordeeld?

De relatie tussen literatuurwetenschappers en literaire critici is in Nederland altijd precair gebleken. Dit is anders dan in andere Europese landen waarbij de twee praktijken veel meer in elkaar overlopen (denk aan de Engelse term ‘criticism’  die zowel voor wetenschapper als voor criticus van toepassing is). In Nederland vliegen de wetenschapper en de criticus elkaar eens in de zoveel tijd in de haren.

Het standaardbeeld van de wetenschapper is dat hij objectief, neutraal en onbevooroordeeld is, tegelijkertijd lijkt dit beeld niet helemaal te passen in een wetenschap die unieke kunstwerken bestudeert en te maken heeft met kwesties van smaak. In de keuze voor een bepaald werk of een bepaalde auteur zit immers al een zekere voorkeur besloten. Zelden komt het voor dat een studie wordt geweid aan een werk of auteur waarvan de beschouwer het niet de moeite waard vindt er tijd in te steken. Vanwege deze normatieve houding is er altijd een zekere mate van subjectiviteit aanwezig in de literatuurwetenschap.

Het is interessant om te zien dat die normatieve houding in de 19e eeuw juist werd gewaardeerd en, sterker nog, zij bepaalde deels de kracht van de geesteswetenschappen. Zo stelde de eerste hoogleraar Nederlandse letterkunde Jonckbloet in 1877 toen de letterkundige neerlandistiek net bestond, dat de letterkundige twee taken had. Allereerst was dat causale relaties in kaart brengen: het bestuderen en analyseren van de literatuurgeschiedenis naar oorzaak en gevolg en ten tweede betrof dit het geven van kritiek: is het werk goed of niet? Voor Jonckbloet hield dit in dat het werk moest bijdragen aan nationaliteitszin.

Tegenwoordig lijkt het innemen van een normatieve houding bijna een doodzonde, zie bijvoorbeeld de discussies die ontstonden naar aanleiding van De revanche van de roman  (Vaessens 2009) en Staande receptie  (Joosten 2012). Wetenschappers en critici benadrukken hierin dat wetenschap objectief, controleerbaar en herhaalbaar dient te zijn. Het adagium “meten is weten” bepaalt de wetenschappelijke arbeid op dit moment, of in Nussbaums woorden: wetenschappers moeten allemaal identieke machines zijn. Toch is het juist die kleine subjectieve ruimte die de geesteswetenschap spannend en levendig maakt, om maar niet te zeggen creatief.

Het project Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  kijkt naar een aantal Nederlandse letterkundigen die juist die subjectieve ruimte in de literatuurwetenschap benadrukten. Het zijn niet toevallig wetenschappers die zich verdienstelijk hebben gemaakt in het publieke veld, als criticus, als dichter of als essayist. Denk daarbij aan Albert Verwey (1865-1937), bekende dichter en criticus van de beweging van Tachtig, die op latere leeftijd hoogleraar werd in Leiden. Hij presenteerde zichzelf als ‘artist-historicus’, iemand die het persoonlijk ‘kritizeren’  en het algemene ‘karakterizeren’  in zich verenigd. Of Hans Gomperts (1915-1998), de belangrijkste criticus van de jaren ’50 die in 1965 hoogleraar werd. De vraag wat de ideale verhouding is tussen kritiek en wetenschap heeft hem zowel als criticus als wetenschapper beziggehouden. Wat dreef hen in hun wetenschappelijke arbeid en in het werk dat zij buiten de academie afleverden? Hoe bakenen zij hun wetenschappelijke werk af van hun kritische activiteiten? En welke normen en waarden ten aanzien van de literatuurwetenschap liggen daaraan ten grondslag? De focus van het project ligt bij het onderzoeken van die vragen op een analyse van meta-kritische uitspraken, die uitspraken die iets zeggen over de eigen praktijk.

De uitdaging van mijn onderzoeksproject is om de verschillende case studies  die ieder in hun eigen tijd en eigen context begrepen moeten worden uiteindelijk met elkaar te vergelijken en grote lijnen zichtbaar te maken in de ontwikkeling van de literatuurwetenschap in Nederland en de status van de geesteswetenschappelijke kennis in het algemeen. Die lijnen lijken op dit moment twee kanten op te wijzen.

Enerzijds is sprake van een steeds groter wordende kloof tussen het publieke en academische veld. De oprukkende verwetenschappelijking of ‘sciëntisme’  (term overgenomen uit Verhaeghe 2012) marginaliseert de geesteswetenschappen. De literatuurwetenschapper houdt zich, niet tot ieders genoegen overigens, met totaal andere aspecten van de literatuur bezig dan de criticus. Niet het werk zelf, maar de manier waarop zij gebruikt wordt vormt de primaire focus van de hedendaagse literatuurwetenschap.

Anderzijds is er een ontwikkeling zichtbaar die een brug probeert te slaan tussen de maatschappij en geesteswetenschappen. Er klinkt een roep om de zogenaamde ‘vergeten wetenschappen’ (Bod 2010) weer op de agenda te zetten en mensen als Martha Nussbaum stellen dat de kritische reflectie van de letteren onmisbaar is voor een democratische en menselijke samenleving. Literatuurstudie helpt ‘verwondering, empathie, verbeeldingskracht en inlevingsvermogen ontwikkelen’ stelt Martha Nussbaum in Niet voor de winst.  Verwondering of verbeeldingskracht zijn lastig te meten, en er zijn ook geen formules voor op te stellen, dit maakt de literatuurwetenschap misschien minder nuttig  dan de bedrijfskunde maar maakt het haar ook minder waard?

*zie bijvoorbeeld Boomkens ‘Topkitch en Slow Science: Kritiek van de academische rede’ (2008); Lorenz ‘If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich?’  (2008) en Dorsman & Knegtmans ‘Universiteit, publiek en politiek. Het aanzien van de Nederlandse universiteiten 1800-2010′ (2012).