Poëzie in de 21e eeuw

Bundels-van-het-nieuwe-millennium-kopie-1024x874

Vandaag start niet alleen het internationale congres ‘The Icon as Cultural Model: Past, Present and Future‘ waarover ik al eerder berichtte (en waarover ik vermoedelijk nog zal berichten). Ook begint vandaag de Poëzieweek met de jaarlijkse Gedichtendag. Uitgeverij Vantilt had geen toepasselijker moment kunnen kiezen voor het laten verschijnen van Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw (onder redactie van Jeroen Dera & Carl De Strycker).

Het boek presenteert 26 essays over evenzoveel poëziebundels, die elk een opvallende plek opeisten in de recente literatuurgeschiedenis of een scharnierpunt betekenden in het oeuvre van hun maker. De anticanto’s van H.H. ter Balkt, de totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar, het ontij van Anneke Brassinga, de totale vlam van Peter Verhelst, de gletsjer van Anne Vegter, de buitendeur van Charles Ducal.

Voor Bundels van het nieuwe millennium – de opvolger van Dichters van het nieuwe millennium (2016) – schreef ik over Circulaire systemen (2002) van een van mijn favoriete hedendaagse dichters, Paul Bogaert. In het stuk probeer ik de manier waarop de bundel doorgaans wordt geïnterpreteerd (namelijk als een eigenzinnige loot aan de stam van de postmodernistische Nederlandse en Vlaamse poëzie) open te breken en een antwoord te formuleren op de vraag wat deze bundel tot méér maakt dan een hermetische verzameling ‘poëtische machines’ (Piet Gerbrandy). Hoe werkt Circulaire systemen als het resultaat van een ‘rooftocht in de wereld’ (Paul Bogaert)? En waarom hoort deze bundel thuis in een overzicht van poëzie in de 21e eeuw?

Het boek wordt vandaag gepresenteerd in het Poëziecentrum Nederland.

 

Over het lezen van ‘Mens Dier Ding’

Hippolyte_Flandrin_-_Young_Man_by_the_Sea_-_WGA07905‘Het was een prachtige partij, een paar uur

was mijn leven niet van mij noch van de wetenschap.

Alsof ik touwtje stond te springen op de maan.’

dag(droom) # 2.608

.

Waar begin je met schrijven over de reeds bejubelde en veel besproken bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer? De bundel is zo rijk aan beelden, referenties, observaties, dromen, absurde beschrijvingen en pakkende regels, dat eigenlijk ieder begin mogelijk is. Er zijn de afgelopen maanden vele momenten geweest waarop ik aan de bundel moest denken en meende dat dit hét aanknopingspunt was waarmee een nieuwe bespreking van Mens Dier Ding zou moeten openen: een aflevering van het spelprogramma ‘De Slimste Mens’ op VIER; een lezing van Pol Hoste waarin hij vertelt over een bezoek aan de Verenigde Staten en hoe hij, wilde hij meer te weten komen over de oorspronkelijke bevolking van Amerika, te horen kreeg dat hij niet bij het National History Museum maar bij het Natural History Museum moest zijn; een regel van Tom Van Imschoot uit het nummer van nY (juli 2014) over uitwegen in de literatuur:

Je ‘ik’ is, net als voor iedereen, je enige transcendentale houvast in een wereld waarin alles vervloeit.

Mens Dier Ding is een tekst met de wonderlijke eigenschap dat iedere eigen ervaring er even makkelijk als eindeloos in resoneert. Een beoordelaar van de Awater Poëzieprijs die dit jaar aan Schaffer werd uitgereikt, noemde de bundel treffend een ‘hallucinant caleidoscopisch meesterwerk’. Het lezen ervan brengt een grote verwarring met zich mee. Mens Dier Ding is ‘verontrustend’ schreven verschillende recensenten. In de woorden van de dichter zelf: ‘De bundel is te veelzijdig, hoop ik’. Is dit wat Brian McHale bedoelde met de tekst als ‘echokamer’?

Hoewel ik in tijden niet zo’n mooie en indrukwekkende bundel heb gelezen, werd ik bij mezelf een nogal laffe reactie op de ongelooflijke veelzijdigheid gewaar. Namelijk, dat ik, om de echo’s te beheersen, teruggreep op begrippen waar ik vertrouwd mee ben geraakt tijdens mijn studie Nederlands. Begrippen als ‘intertekstualiteit’, ‘intermedialiteit’, ‘adaptatie’ en ‘narratieve poëzie’ en het ‘simulacrum’ van Baudrillard moesten mijn bespreking in goede banen leiden. Het leverde een makke beschouwing op waar ik uiteindelijk niet tevreden over was, omdat het een werk betreft dat naar mijn mening terecht wordt getypeerd als ‘vuurwerk’ (VSB-juryrapport) en ‘een gebeurtenis in de poëzie’ (Arie van den Berg).

[…]

.

***

Dit zijn de openingsalinea’s van een essay dat ik schreef over de bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer. Het verscheen deze maand in de jongste aflevering van DWB.

Ik heb lang aan de tekst gewerkt en het meerdere keren herschreven. Pas nadat ik Schaffers proefschrift De geschiedenis van een jonge god: mythe, primordialiteit en de representatie van de archetypische adolescent en jonge man in werken uit de moderne Afrikaanse literatuur en de wereldliteratuur (2002) had gelezen, vond ik een manier om iets nieuws toe te voegen aan de lange lijst besprekingen van Mens Dier Ding.

Tegelijkertijd kwamen er – door het proefschrift en de dichtbundel met elkaar in verband te brengen – vragen naar boven die mij al een tijd bezighouden in mijn eigen promotieonderzoek: hoe kunnen wetenschap en kunst elkaar aanvullen? Wat kan de wetenschap leren van de literatuur, wat de literatuur van de wetenschap? Waar liggen de overeenkomsten, waar de onoverbrugbare kloven? Jagen beide eenzelfde soort kennis na? En wat behelst die kennis dan?

Het essay ‘‘Ik heb mij nog nooit zo bevrijd gevoeld!’ Over het lezen van Mens Dier Ding van Alfred Schaffer’ is te lezen in de papieren versie van DWB 3, 2015.

.

.

***

afbeelding: Hippolyte Flandrin. Jeune homme nu assis au bord de la mer. Figure d’étude (1836) 

.

.

.