Archive

criticus

Antonie Donker

Ik ben al een tijdje bezig grip te krijgen op deze man: Nico Donkersloot (1902-1965). In de jaren dertig beter bekend als de dichter en criticus Anthonie Donker. In 1930 richtte Donker het literaire maandblad Critisch Bulletin op dat pleitte voor een ‘onpartijdige, samenvattende en bij voorkeur opbouwende critiek’. Donker had een jaar eerder in een interview te kennen geven dat hij de huidige kritiek maar onsmakelijk vond:

‘Het is nu een chaos. Ruzies, bijbedoelingen, partijdige critiek, vertroebeling door politieke factoren, dat alles maakt onze critiek onbetrouwbaar en onsmakelijk. En de goede, ernstige, artistieke krachten zijn verstrooid.’

Een ‘saneering van de critiek’ was volgens Donker dan ook hard nodig.

Donkers pleidooi voor een objectieve, informerende kritiek werd niet door iedereen met enthousiasme ontvangen. Jan Greshoff bijvoorbeeld reageerde fel op Donkers oproep tot ‘saneering’ en meende dat Donkers pleidooi voor een informerende kritiek niets minder betekende dan een knieval voor de lezer. Het zou alleen maar leiden tot nivellering, standaardisering en totale democratisering. ‘Leve de critische eenheidsworst!’, zo vatte Greshoff het standpunt van Donker kernachtige samen.

Opvallend is nu dat Donkersloot in het jaar dat hij deze uitspraken doet en hij ‘objectiviteit’ en ‘onpartijdigheid’ in de kritiek centraal stelt, een proefschrift publiceerde (overigens onder zijn schrijverspseudoniem) waarin hij zich uitgesproken normatief, om niet te zeggen subjectief, uitlaat. De episode van de vernieuwing onzer poëzie 1880-1894 (1929) bevat nogal wat oordelen over zowel literaire werken als over de persoonlijkheid van de kunstenaar.

Met betrekking tot dat laatste punt moet vooral Albert Verwey het ontgelden. In het dichterschap van Verwey wordt volgens Donkersloot namelijk een fataal onderscheid zichtbaar tussen ‘den mensch’ en ‘den artist’. De romantische zelfverheffing van de dichters rond De Nieuwe Gids (zoals Donkersloot de dichters van de Beweging van Tachtig bij voorkeur aanduidde) is bij Verwey verworden tot een gekunstelde pose. Verwey is geen oprechte dichter maar een ‘welbewust acteur’. Om dit proces van bewuste auteursprofilering te karakteriseren gebruikt Donkersloot een term die niet misstaat in een contemporaine letterkundige studie. Donkersloot noemt ‘het voortdurend zichzelf bezig zien, het poseren met zijn eigen dichterschap’ namelijk self-representation.

Een groot verschil met de manier waarop deze term nu wordt gebruikt is de uitgesproken negatieve connotatie die Donkersloot aan de term verbindt. Een auteur die aan self-representation doet, is volgens Donkersloot een poseur, geen ware kunstenaar.

Anno 2015, mag de literatuurwetenschapper onder geen voorwaarde een dergelijke waardering verbinden aan de concepten die hij gebruikt. Maar ook zonder die connotatie maakt het gebruik van de term in recent letterkundig onderzoek volgens mij duidelijk hoezeer we opnieuw geboeid zijn door vragen rond het verschil tussen wat Donkersloot den mensch en den artist noemde: vragen rond authenticiteit en oprechtheid van de kunstenaar en wat op een bepaald moment als een succesvolle of overtuigende ‘zelfrepresentatie’ wordt gezien.

Toen ik de term self-representation aantrof in een letterkundige studie uit 1929 werd ik mij ineens zeer bewust van het feit dat je als modern letterkundige maar weinig leest in het werk van je Nederlandse voorgangers. Het is makkelijk om iets als ‘achterhaald’ en ‘ouderwets’ te bestempelen, en we hebben het liever over ‘nieuwe richtingen’ dan over ‘tradities’, maar hoeveel interessante, eerste stappen richting het onderzoek waarvan we nu menen dat het hot & happening is, vegen we daarmee eigenlijk niet van tafel?

Net zoals er weinig over Donkersloot geschreven is, zijn er weinig afbeeldingen van hem te vinden. De foto hierboven is overgenomen uit een artikel uit 1992 van Henny Taks over Donkers gedicht ‘Ikarus’ (waarvan de eerste strofe door Marsman werd geschreven). In het kader van self-representation is het aardig op te merken dat de afbeelding van Venus (links aan de muur) een mooie verwijzing vormt naar Donkersloots geloof in kunst als drager van klassieke waarden, zie met name zijn publicatie ‘We noemen het literatuur’ (1965). De ongeordende berg papieren op zijn bureau doet denken aan de manier waarop hij zijn gedachten opschreef, namelijk allerminst netjes binnen de lijntjes. Zijn aantekeningen doen eerder denken aan een explosieve vorm van mindmapping.

Deze blog verscheen eerder deze week op Neder-L

Advertisements

Onlangs verscheen bij Amsterdam University Press het boek The Permanent Crisis of Film Criticism. The Anxiety of Authority geschreven door Mattias Frey (Kent University). Op de omslag is een fraaie zwart-witfoto afgebeeld van twee deftige heren die op de eerste rij van een verder lege bioscoopzaal zitten. We mogen aannemen dat de vertoning waar de heren voor komen net afgelopen is; het licht in de zaal is aan, de linker heer is nogal obligaat aan het klappen terwijl de rechter in slaap is gesukkeld, de handen in elkaar gevouwen op de iets te zware buik.

Unknown

Het is een treffende omslag voor een boek dat als onderwerp heeft het crisisdiscours dat de filmkritiek, maar ook de kunstkritiek in het algemeen, omgeeft. Niet alleen is het contrast tussen de sjiek geklede heren en de kale bioscoopstoeltjes groot (alsof de mannen hardnekkig een etiquette volgen in een omgeving die daar allang niet meer om vraagt). Schrijnender nog is het feit dat er niemand in de zaal zit die een bevestiging zou kunnen geven van hun aanwezigheid. Wat doen die mannen daar? Het is duidelijk dat ze het niet erg naar hun zin hebben, dus waarom zitten zij daar in hun beste pak?

Enerzijds zouden we de scène kunnen lezen als een onderstreping van de veel gehoorde opvatting dat kunstkritiek in tijden van Internet haar beste tijd heeft gehad. Ter illustratie van deze opvatting refereert Frey in de inleiding van The Permanent Crisis of Film Criticism aan een themanummer over ‘Film Criticism in the Age of Internet’ van het tijdschrift Cineaste. Hierin stelt de redactie vast dat amateur-critici het Internet overspoelen. De explosieve toename van veelal zelfbenoemde critici zou een inflatie van de kritische standaard tot gevolg hebben. Het is een onontkoombare situatie die de redactie niet al te vrolijk stemt:

We are now –unavoidably– part of a hybrid landscape and can only hope that good criticism will prevail over bad, both in magazines and the Internet’.

Met andere woorden: de mannen in pak zijn de laatste telgen van een uitstervend ras, ze proberen stijlvol ten onder te gaan maar zijn eigenlijk alleen maar belachelijk in hun vasthoudendheid aan oude normen en waarden. Ergens weten ze het wel… de linker heeft een onnavolgbare verveelde uitdrukking op zijn gezicht, de rechter kon zijn aandacht er simpelweg niet meer bijhouden.

De afbeelding op de omslag van The Permanent Crisis of Film Criticism zou daarnaast ook gelezen kunnen worden als een illustratie van de vraag waar tegenwoordig de kritische ruimte gezocht moet worden. Gebeurt het nog wel in deze (lege) bioscoopzaal? Volgens deze lezing is er met de critici zelf niet zo veel mis, zij belichamen slechts het prototype van de criticus, die het wel gewend is doelwit van spot te zijn. Als de geschiedenis van de filmkritiek wordt overzien, zo stelt Frey, dan blijkt immers dat zij permanent in crisis is. Het imago van de criticus is nooit echt goed geweest. Dit maakt de vraag wanneer de criticus zijn autoriteit verloor en welke factoren ervoor zorgden dat hij zijn gezag kwijtraakte dan ook minder relevant in Freys optiek. Interessanter vindt hij de vraag waarom critici nog steeds geobsedeerd zijn door traditionele noties die aan culturele autoriteit gekoppeld worden, zoals goede smaak, intellectualisme, diepgang, kritisch onderscheidingsvermogen.

Als ik Frey goed begrijp zijn het uitgerekend dit soort traditionele noties van culturele autoriteit die op nieuwe media platforms (de site Rotten Tomatoes wordt door hem als tekenend voorbeeld aangehaald) weer in ere worden hersteld, of preciezer, weer legitiem worden geacht. De kritische ruimte is veranderd, zij is verspreid geraakt, heeft een veel groter bereik en veel meer deelnemers, maar de wijze waarop er (kritisch) over kunst wordt gepraat, verandert misschien veel minder dan wij geneigd zijn te denken. Het is een aantrekkelijke hypothese en ik vraag mij af: zou zij ook opgaan voor de literaire kritiek in the Age of Internet?

Eerst maar eens het hele boek van Frey lezen… De inleiding die via de site van Amsterdam University Press is te downloaden maakt alvast nieuwsgierig.

Verwey in zijn studiekamer 1910 Op 14 november 1924 werd de dichter en criticus Albert Verwey (1865-1937) bij Koninklijk Besluit benoemd tot hoogleraar letterkunde en wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn leeropdracht betrof het onderwijzen in de ‘Nederlandse letteren, haar geschiedenis en esthetische kritiek’. De benoeming van Verwey was een novum, niet eerder werd iemand zonder academische scholing aangesteld als hoogleraar. De studie van de literatuur, zij het van tijdgenoten of van voorgangers, was vanaf het begin een belangrijke pijler onder Verweys creatieve werk, en hij voelde zich dan ook verplicht om dit in zijn oratie ‘Van Jacques Perk tot nu’ (1925) te benadrukken:

 ‘Mijn studie is nooit op het onderwijs, maar uitsluitend op mijn dichterlijk werk en de beoordeeling van letterkundige geschriften geweest. Opleiding aan een hoogeschool heb ik nooit genoten. […] Redenen genoeg, mijnerzijds, om niet zonder moeite tot de aanvaarding van dit ambt te besluiten.’

Het domein van de academische literatuurstudie was voor Verwey duidelijk een heel andere dan het domein van de niet-academische literatuurbeschouwing. Hij sprak dan ook over twee verschillende werelden waartussen enige mate van onbegrip heerst: de literator voelde zich ‘een vreemdeling’ binnen de muren van de academie.

Wat waren de criteria voor afbakening van de twee werelden? Deze vraag staat centraal in mijn artikel ‘‘De vraag is deze: waarom is een akademisch neerlandicus zulk een heel ander mens dan een nederlands letterkundige?’ Literatuurkritiek en literatuurwetenschap: het hoogleraarschap van Albert Verwey (1865-1937)’ dat deze maand verscheen in het tijdschrift Nederlandse Letterkunde. Andere artikelen in dit nummer zijn van de hand van Gilles Dorleijn (RUG) en Ralf Grüttemeier (Universität Oldenburg). Abstracts zijn hier te lezen.

***

De foto van Albert Verwey is afkomstig uit Het Geheugen van Nederland. Hier zijn meer mooie portretfoto’s te vinden, zoals deze met de Duitse dichter Stefan George, maar ook foto’s van aantekeningen voor gedichten en lezingen (zoals Verweys afscheidscollege ‘Het lezen en schatten van gedichten‘ (1935)).

Statler&Waldorf-Balcony“De criticus is traditioneel behept met een slecht imago. Al vanaf het ontstaan van de kritiek, in de vorm zoals wij die nu kennen (de bespreking of ‘recensie’) zijn er voorbeelden te vinden van de slechte reputatie van de criticus. In hun literatuurgeschiedenis Worm en donder (2013) halen Leemans & Johannes een aardig voorbeeld aan uit de vroegmoderne Nederlandse literatuur. Het betreft een vers van Johannes Lublink de Jonge (1736-1816), voorman van het Amsterdamse literaire genootschap Concordia et Libertate. Het gaat over een ondankbare dinergast die zijn ongezouten mening geeft over de maaltijd die hij net heeft genoten. Vanuit het perspectief van de gastheer horen we wat die mening was:

Gansch anders had de man ’t verwacht;
Hy vond by my niets fraais, niets vreemds, niets uitgelezen;
De soep was veel te laf, de visch te gaar gekookt;
De wyn niet fyn genoeg, het vleesch niet goed gerookt;
In ’t kort, niets was er, of ’t had beter kunnen weezen.
Wie zag ooit onbeschaamder vent? –
Slaa dood den hond! slaa dood! het is een Recensent!

Leemans & Johannes wijzen er op dat de term ‘recensent’ in Nederland geen gebruikelijke term was. Er werd eind 18e eeuw eerder gesproken over de ‘criticus’. De reputatie van de criticus was echter dezelfde als die van de recensent: hij was ofwel een domkop (vanwege ‘een gebrek aan wetenschappelijke kennis en kunde’), ofwel een schurk (die reageerde vanuit ‘persoonlijke hatelijkheden’).”

***

Dit is de opening van een stuk dat ik schreef voor online opinieplatform deFusie en waarin ik mij afvraag hoe erg het eigenlijk is dat recensenten er doorgaans een nogal slechte reputatie op nahouden. Lees het hele stuk hier op deFusie.