vloekschrift_cover-jpg

“Vloekschrift is schreeuwerig, boos en attaqueert, maar doet dat niet alleen uit balorigheid. Integendeel, voortdurend is duidelijk dat het een kwaadheid is die voortkomt uit onmacht en hopeloosheid. Dit is een debuut dat bij uitstek uiting geeft aan het gevoel klem te zitten. Wat is in deze wereld nog ‘echt’? Hoe kunnen we het kapitalistisch ‘ik’ ontstijgen? Wat is ‘mijn eigen stem’ nog? Is het mogelijk voorbij het individualisme te geraken? Alternatieven zijn niet voorhanden, zelfs het begrip ‘gemeenschap’ is uitgehold en, in de woorden van Köseoğlu, poëtisch kapitaal geworden. Het opnieuw beginnen en schoon schip maken is bovendien al eens gedaan, die avant-gardistische handeling nog eens verrichten, is per definitie een tragische pose: radicaliteit wordt recycling. De woede is het enige ‘echte’ wat zodoende rest en verwordt tot een middel, een poging om een zelfbewustzijn te veroorzaken, een nieuwe ruimte te creëren van waaruit – misschien, toch, hopelijk – alternatieven kunnen worden gedacht.”

 

Lees de hele bespreking van Vloekschrift (2017), het poëziedebuut van Arno Van Vlierberghe verschenen bij het balanseer, op deReactor.

 

 

Advertisements

Duchamp en wheel

Onder de titel ‘Picturing Reality‘ stelt het aankomende ALCS Congres (zomer 2018) de relatie tussen kunst en werkelijkheid centraal. Vertrekpunt is de aanname dat kunst – ook als zij geen nadrukkelijke band met de vertrouwde realiteit aangaat – ons iets kan leren over de werkelijkheid. Deze aanname impliceert voor de congresorganisatie dat er vooral gekeken wordt naar zogenaamde ‘contact zones’, het literaire werk als ontmoetingsplaats van feit en fictie bijvoorbeeld, of van leven en kunst, van waarheid en verbeelding. Ik neem het thema ‘Picturing Reality’ te baat om door te denken op het onderwerp waar ik al sinds mijn studie door gefascineerd ben: de manier waarop Nederlandse auteurs zich vanaf het einde van de jaren ’50 laten inspireren door de moderne beeldende kunst om de literatuur te vernieuwen en hoe dit type literatuur – door literatuurhistorici ‘neo-realisme’ gedoopt – als minder literair, en zelfs als onartistiek wordt gewaardeerd.

Recente literaire ontwikkelingen, zoals de grote populariteit van ‘waar gebeurde’ persoonlijke verhalen en de wens van schrijvers om met hun werk expliciet ‘in de wereld’ te willen staan als ook het bijbehorende engagement-debat, maken bestudering van het neo-realistische werk uit de (late) jaren ’50 en jaren ’60 opnieuw relevant. Waar kwam de behoefte van auteurs als K. Schippers en Armando vandaan om de realiteit als een ready made in de literatuur te brengen? In hoeverre verschilt het neo-realistische gebaar, of komt het overeen, met de beweging richting de werkelijkheid in de literatuur van nu, zoals die bijvoorbeeld wordt gesignaleerd door David Shields in zijn pamflet Reality Hunger (2010)?

 

Hieronder het Engelstalig abstract van mijn bijdrage aan ‘Picturing Reality’ dat plaatsvindt van 28 tot en met 30 juni 2018 aan de University of Sheffield. Zie de website van the Association for Low Countries Studies voor het volledige programma en aanmelding. 

 

Abstract

When in the 60s neo-realistic Dutch writers such as K. Schippers, J. Bernlef, Armando and Hans Sleutelaar started to adopt the ready made-principle the literary establishment was shocked. Although these writers took inspiration from international artists, such as Marcel Duchamp and Robert Rauschenberg, the application of the ‘ready made’ within (Dutch) literature was evaluated as ‘easy’, ‘lazy’, ‘just a joke’ and moreover ‘non artistic’ (see Mourits 2001).

Until today this reaction to the neo-realistic gesture pops up. Recently, critic Arjan Peters for example stated that Schippers was fooling his readers (de Volkskrant, 16/09/2017). Underneath this evaluation lies a strong believe in literature being different from reality; the idea that the artist – by means of his exceptional talent – can offer us an alternative reality. At the same time, this view is much contested by those who argue that literature should not be approached as something different from reality, but as a means to (critically) break into reality (see Vaessens 2009 and Van Rooden 2015).

Still, within this debate which in the Netherlands circles strongly around the notion of ‘engagement’, the neo-realistic gesture of the ‘ready made’ is much neglected. In my contribution I like to revisit the work of K. Schippers and Armando, two writers who are still active, and propose a different interpretation of their work within the current debate on literary engagement. As a guideline I like to take David Shields thought-provoking manifesto Reality Hunger (2010) in which Shields argues that a new literary model has arrived, one that builds heavily upon the ‘ready made’-principle and hence meets our deep need for reality in a high-tech, mediated world.

 

Afbeelding: Marcel Duchamp met Bicycle wheel (1913)   

 

fire

De wensdroom van redacteur Maurice Berger en impliciet van alle auteurs die een bijdrage leverden aan het boekje The Crisis of Criticism (1998) is dat goede kritiek de lezer inspireert, emotioneel beweegt en aanspoort, letterlijk opstookt en van brandstof voorziet:

Pushing beyond the constraints of mere description or advocacy, the critic can aspire bliss, to quote Roland Barthes – the kind of insightful and pleasurable writing that “breaks through the constraints of adjectives” to inspire, move, and incite the reader. (14)

Berger brengt de stelling naar voren dat goede kritiek inherent is aan goedgeschreven kritiek. Een goede kritiek begeeft zich voorbij de zakelijke beschrijving of passende samenvatting en is meer dan een lofzang op of afbranding van het object van beschouwing. In die hoedanigheid heeft de kritiek een gerechtvaardigde plek in de samenleving; het ambacht van de criticus is een kunstpraktijk op zichzelf.

De plek van de kritiek als een vorm van kunst mag daarmee gerechtvaardigd zijn, dit betekent niet dat zij vanzelfsprekend is, zo stelt ook Joyce Carol Oates in haar bijdrage aan The Crisis of Criticism, ‘like all art forms it must evolve, or atrophy and die’ (40). Vaak wordt aangenomen dat de positie en invloed van de literaire criticus afneemt omdat het soortelijk gewicht van literatuur afneemt, literatuur neemt met andere woorden minder een centrale plaats in de maatschappij in. In dit geval wordt het belang van het werk van de criticus gemeten aan dat wat buiten zijn kunst ligt, namelijk het onderwerp waar hij of zij over schrijft. Wat The Crisis of Criticism daar tegenover stelt is dat er wordt gekeken naar de kunst van de kritiek zelf, daarmee de vraag stellend: wat kan de kritiek zelf doen om haar voortbestaan te garanderen?

Volgens Oates mag de kritiek bijvoorbeeld wel wat minder conservatief zijn. Iets wat overigens een breuk zou betekenen met haar eigen geschiedenis: ‘Through the centuries, through every innovation and upheaval in art, from the poetry of the early Romantics to the “Beat” poetry of the American fifties, from the explosion of late nineteenth-century European Modernist art to the Abstract Expressionism of the mid-twentieth-century America, professional criticism has exerted a primarily conservative force, the gloomy wisdom of inertia, interpreting the new and startling in terms of the old and familiar’ (38).

The Crisis of Criticism verscheen in 1998, alweer 20 jaar geleden. Ik vraag mij af: heeft de literaire kritiek zich inmiddels vernieuwd en hoe dan? Is dat misschien inderdaad op een manier die Berger hierboven propageert, een vorm die voorbij analyse en beschrijving gaat richting ‘insightful and pleasurable writing’?

 

 

 

 

Bundels-van-het-nieuwe-millennium-kopie-1024x874

Vandaag start niet alleen het internationale congres ‘The Icon as Cultural Model: Past, Present and Future‘ waarover ik al eerder berichtte (en waarover ik vermoedelijk nog zal berichten). Ook begint vandaag de Poëzieweek met de jaarlijkse Gedichtendag. Uitgeverij Vantilt had geen toepasselijker moment kunnen kiezen voor het laten verschijnen van Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw (onder redactie van Jeroen Dera & Carl De Strycker).

Het boek presenteert 26 essays over evenzoveel poëziebundels, die elk een opvallende plek opeisten in de recente literatuurgeschiedenis of een scharnierpunt betekenden in het oeuvre van hun maker. De anticanto’s van H.H. ter Balkt, de totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar, het ontij van Anneke Brassinga, de totale vlam van Peter Verhelst, de gletsjer van Anne Vegter, de buitendeur van Charles Ducal.

Voor Bundels van het nieuwe millennium – de opvolger van Dichters van het nieuwe millennium (2016) – schreef ik over Circulaire systemen (2002) van een van mijn favoriete hedendaagse dichters, Paul Bogaert. In het stuk probeer ik de manier waarop de bundel doorgaans wordt geïnterpreteerd (namelijk als een eigenzinnige loot aan de stam van de postmodernistische Nederlandse en Vlaamse poëzie) open te breken en een antwoord te formuleren op de vraag wat deze bundel tot méér maakt dan een hermetische verzameling ‘poëtische machines’ (Piet Gerbrandy). Hoe werkt Circulaire systemen als het resultaat van een ‘rooftocht in de wereld’ (Paul Bogaert)? En waarom hoort deze bundel thuis in een overzicht van poëzie in de 21e eeuw?

Het boek wordt vandaag gepresenteerd in het Poëziecentrum Nederland.

 

Matthew_Arnold_Waddy_1872

On December 20th, literary scholar Angus Nicholls (Queen Mary University London) will deliver a lecture on the ‘science’ of literary studies for the national research school literary studies (OSL). After his lecture – entitled ”Scientific’ Literary Studies During the Late Nineteenth Century and Today: a Critical Overview’ – there will be time for discussion on the question of literary studies’ scientific state and status, then and now, in and outside the Netherlands.

Everybody is warmly invited to attend the lecture and discussion!

The event takes place in Amsterdam from 15:00 to 17:00 (PCHoofthuis, room 5.59). See also the website of OSL for the details.

 

Short summary of the lecture:

The late nineteenth century was a period in which academic disciplines began to form and professionalize themselves in modern research universities. Like many disciplines during this period, literary studies (Literaturwissenschaft) attempted to establish itself by arguing that its methods were ‘scientific’ or wissenschaftlich. But here the key term in the debate – that of ‘science’ (Wissenschaft) – was a contested one, and was defined in different ways, in different cultural contexts, by different protagonists in the field. In this paper, I will attempt to show that these nineteenth-century debates on the ‘scientific’ nature of literary studies bear a striking similarity to present day discussions. This is so because – especially in the UK system – the humanities continue to be assessed and funded according to models predominantly derived from research in the natural sciences; models which favour a linear conception of objective scientific progress and which valorise quantifiable impact upon society. This paper will offer an overview of this subject in relation to British and German intellectual history, as part of an introduction to a larger monograph project. Some of the better-known thinkers treated will include Matthew Arnold, Thomas Henry Huxley, Wilhelm Dilthey and Wilhelm Scherer.

 

Afbeelding: Matthew Arnold (1822-1888) balancing between poetry and philosophy by Frederick Waddy, 1872

 

 

 

kees_hin_3

In de jaren zeventig en tachtig zond de publieke omroep het kunstprogramma Beeldspraak uit. Het format was bijzonder los, iedere cineast met een goed en sprankelend idee kon een voorstel doen, zolang het maar een eigenzinnig portret opleverde van de betreffende kunstenaar, dichter, schrijver of componist. ‘We volgden wat actueel was en wat interessant was in de kunst of daaromheen’, vertelt filmmaker Kees Hin die samen met K. Schippers, Hans Nieman, Jonne Severijn en Jan Venema de redactie vormde. ‘We wilden film zien als een vorm van wandelen, niet als zelfverheffing’. Het leverde zeer uiteenlopende en bijzondere documentaires op over Jan Hanlo, Jacques Rigaut, Pessoa, Doeschka Meijssing, Armando, Jaap Hillenius, Jan Dibbets, Margo Minco, Stefan Themerson en vele anderen.

Op vrijdagmiddag 24 november toont K. Schippers enkele Beeldspraak-fragmenten tijdens het Campertsymposium, dat dit jaar als thema heeft ‘Literatuur op tv’. Andere sprekers zijn o.a. Adriaan van Dis, Büch-biograaf Eva Rovers, Connie Palmen en boeken-presentator Jeroen van Kan. Ik heb de eer Schippers aan de tand te voelen over zijn bijdrage voor de televisie in de jaren zeventig en tachtig.

 

Zie de website van het Literatuurmuseum voor meer informatie.

Afbeelding: Screenshot uit een film over Kees Hin, gemaakt in opdracht van EYE. Vorig jaar besteedde EYE uitgebreid aandacht aan het oeuvre van Kees Hin en zijn Beeldspraak-producties in het bijzonder.

 

De Boekmanstichting bracht verslag uit van de middag rond ‘Literatuur en tv’ (inclusief foto’s).

Ook  Literair Nederland besteedde aandacht aan het symposium.