Matthew_Arnold_Waddy_1872

On December 20th, literary scholar Angus Nicholls (Queen Mary University London) will deliver a lecture on the ‘science’ of literary studies for the national research school literary studies (OSL). After his lecture – entitled ”Scientific’ Literary Studies During the Late Nineteenth Century and Today: a Critical Overview’ – there will be time for discussion on the question of literary studies’ scientific state and status, then and now, in and outside the Netherlands.

Everybody is warmly invited to attend the lecture and discussion!

The event takes place in Amsterdam from 15:00 to 17:00 (PCHoofthuis, room 5.59). See also the website of OSL for the details.

 

Short summary of the lecture:

The late nineteenth century was a period in which academic disciplines began to form and professionalize themselves in modern research universities. Like many disciplines during this period, literary studies (Literaturwissenschaft) attempted to establish itself by arguing that its methods were ‘scientific’ or wissenschaftlich. But here the key term in the debate – that of ‘science’ (Wissenschaft) – was a contested one, and was defined in different ways, in different cultural contexts, by different protagonists in the field. In this paper, I will attempt to show that these nineteenth-century debates on the ‘scientific’ nature of literary studies bear a striking similarity to present day discussions. This is so because – especially in the UK system – the humanities continue to be assessed and funded according to models predominantly derived from research in the natural sciences; models which favour a linear conception of objective scientific progress and which valorise quantifiable impact upon society. This paper will offer an overview of this subject in relation to British and German intellectual history, as part of an introduction to a larger monograph project. Some of the better-known thinkers treated will include Matthew Arnold, Thomas Henry Huxley, Wilhelm Dilthey and Wilhelm Scherer.

 

Afbeelding: Matthew Arnold (1822-1888) balancing between poetry and philosophy by Frederick Waddy, 1872

 

 

 

Advertisements

kees_hin_3

In de jaren zeventig en tachtig zond de publieke omroep het kunstprogramma Beeldspraak uit. Het format was bijzonder los, iedere cineast met een goed en sprankelend idee kon een voorstel doen, zolang het maar een eigenzinnig portret opleverde van de betreffende kunstenaar, dichter, schrijver of componist. ‘We volgden wat actueel was en wat interessant was in de kunst of daaromheen’, vertelt filmmaker Kees Hin die samen met K. Schippers, Hans Nieman, Jonne Severijn en Jan Venema de redactie vormde. ‘We wilden film zien als een vorm van wandelen, niet als zelfverheffing’. Het leverde zeer uiteenlopende en bijzondere documentaires op over Jan Hanlo, Jacques Rigaut, Pessoa, Doeschka Meijssing, Armando, Jaap Hillenius, Jan Dibbets, Margo Minco, Stefan Themerson en vele anderen.

Op vrijdagmiddag 24 november toont K. Schippers enkele Beeldspraak-fragmenten tijdens het Campertsymposium, dat dit jaar als thema heeft ‘Literatuur op tv’. Andere sprekers zijn o.a. Adriaan van Dis, Büch-biograaf Eva Rovers, Connie Palmen en boeken-presentator Jeroen van Kan. Ik heb de eer Schippers aan de tand te voelen over zijn bijdrage voor de televisie in de jaren zeventig en tachtig.

 

Zie de website van het Literatuurmuseum voor meer informatie.

Afbeelding: Screenshot uit een film over Kees Hin, gemaakt in opdracht van EYE. Vorig jaar besteedde EYE uitgebreid aandacht aan het oeuvre van Kees Hin en zijn Beeldspraak-producties in het bijzonder.

 

De Boekmanstichting bracht verslag uit van de middag rond ‘Literatuur en tv’ (inclusief foto’s).

Ook  Literair Nederland besteedde aandacht aan het symposium.

 

 

 

 

 

 

frankenstein als lezer

Iedereen heeft wel een beeld bij het monster van Frankenstein uit Mary Shelley’s klassieke spookverhaal Frankenstein; or, the Modern Prometheus uit 1818. Het collectieve beeld van het monster is voor een belangrijk deel gebaseerd op de verfilming uit 1931, geregisseerd door James Whale (1889-1957), waarin het monster wordt samengesteld uit de ledematen van opgegraven overledenen en door de mad scientist dr. Frankenstein middels een geleide blikseminslag tot leven wordt gewekt. Deze elementen zijn – net zoals de uiterlijke kenmerken van het monster zoals het hoge voorhoofd en de stalen pin door de nek – ontsproten aan de verbeelding van de filmmaker. In het boek komen ze niet voor. In Shelley’s versie is dr. Frankenstein (Victor) een zeer jonge, leergierige student die vlak voor hij zijn studie aanvangt zijn moeder verliest. Ver weg van zijn ouderlijk huis en in het gezelschap van slechts enkele, oudere natuurkundigen richt hij zich obsessief op de vraag of het mogelijk is dode materie tot leven te brengen. Geïnspireerd door het werk van de occulte schrijver Cornelius Agrippa en de arts-theoloog Paracelsus zoekt Victor twee jaar lang naar het recept voor een levenselixer.

Hoe het monster  ­– in de editie die ik las uit de Oxford World Classic’s series vaak aangeduid als ‘the wretch’, de ellendeling – daadwerkelijk door Victor tot leven wordt gewekt, blijft in nevelen gehuld. Ook details over zijn vreselijke en angstwekkende uiterlijk zijn schaars. Hij is groot en afstotelijk, heeft gelige, soppige ogen en zwarte lippen, maar veel meer laat de auteur eigenlijk niet los. Het wezen, na conceptie wel in staat zich te bewegen maar voor de rest een tabula rasa, blijkt anders dan het collectieve beeld best intelligent. Het leert zichzelf al snel de meest complexe menselijke handelingen, zoals vuur maken, en door het nauwkeurig observeren van enkele inwoners in een afgelegen cottage maakt hij zich vertrouwd met de menselijke omgangsvormen en taal. Tijdens een van zijn nachtelijke wandeltochten op zoek naar plantaardig voedsel en hout treft hij een reistas aan waarin behalve wat kleren ook enkele boeken zitten. Het zijn niet de minste titels die hij als een ‘prize’ meesleept naar zijn schuilplaats. Het gaat om Paradise Lost, Plutarch’s Lives en Sorrows of Werter. Het effect van het lezen van de verhalen is niets minder dan een revelatie:

‘I can hardly describe to you the effect of these books. They produced in me an infinity of new images and feelings, that sometimes raised me to ecstasy, but more frequently sunk me in the lowest dejection.’

De drie boeken hebben zeer uiteenlopende effecten op zijn gemoed. Het lijden van de jonge Werther leert hem een heel nieuw palet aan gevoelens herkennen en toont hem vele, vaak tegenstrijdige manieren om daar mee om te gaan. Het boek maakt dat hij gaat reflecteren op zijn eigen gevoelens en positie. Hoewel hij de beschreven emoties herkent, voelt hij zich tegelijkertijd vreemd aan de mensen waarover hij leest en die hij in werkelijkheid observeert (en dankzij het boek beter begrijpt):

‘I sympathized with, and partly understood them, but was unformed in mind; I was dependent of none, and related to none. (…) My person was hideous, and my stature gigantic: what this did mean? Who was I? What was I?’

Het biografieën van nobele Grieken en Romeinen geschreven door Plutarchus en verzameld in Plutarch’s Lives brengt hem in aanraking met de historische blik en verzet de zinnen van de persoonlijke emoties naar ‘high thoughts’: ‘he elevated me above the wretched sphere of my own reflections, to admire and love the heroes of past ages’. Het politieke en maatschappelijk handelen van beschreven notabelen brengt het Frankensteins monster ideeën over deugdzaamheid en moreel besef bij. Stelde Het lijden van de jonge Werther de vraag naar wat de mens is, het leven van Plutarch leert hem hoe de mens zich deugdzaam beweegt tussen andere mensen.

Paradise Lost tenslotte stelt de vraag naar zijn schepping op de voorgrond. Net zoals de andere boeken leest hij Paradise Lost als een waargebeurd verhaal. De kennis van het bestaan van God vervult hem met de grootst mogelijke gevoelens van ontzag en verwondering. Hij beziet Adam niet alleen als een perfect schepsel, maar ook als een wezen dat geliefd wordt door zijn schepper. Wie, vraagt hij zich af, is eigenlijk mijn schepper? Hoe vreselijk moet mijn voorkomen wel zijn dat mijn schepper zich van mij afkeerde? Zijn gevoelens van jaloezie voor de mensen doen hem soms geloven dat niet God maar Satan zijn schepper is.

Hoe heftig het effect van de boeken ook is, ze vormen voor het monster van Frankenstein ongekende ‘treasures’ en het bezitten ervan vervult hem met groot genoegen. De verhalen brengen hem immers in aanraking met de meest elementaire vragen van het menselijk bestaan en leren hem om zijn emoties te herkennen. Het is dan ook na het lezen van de verhalen dat hij moed verzamelt om op de mensen af te stappen…

 

 

Waarom zou iemand Nederlandse letterkunde gaan studeren?

Waarom zou iemand eigenlijk géén Nederlandse literatuur willen studeren?!

 

Hierover verscheen in de jongste VakTaal, het tijdschrift van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, het artikel ‘Criticus of wetenschapper? Onderzoek naar de disciplinaire identiteit van de letterkundige neerlandistiek’.

FullSizeRender (1)

 

 

Tegen-de-schenen-1024x874

De roman is een hoer geworden’, schreef Marcel Möring, en met die woorden haalde hij uit naar collega-schrijvers die met toegankelijke en vlotte boeken vooral lijken te dingen naar de gunst van het grote publiek. Niet alleen Möring, maar bijvoorbeeld ook Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee, heeft zich beklaagd over een gebrek aan durf bij hedendaagse schrijvers en de eenvormigheid van hun werk.

 

Tegen de schenen bevat opstellen over recent verschenen boeken die de lezer niet als hapklare brokken kan verteren. Boeken die zich juist kenmerken door een zekere tegendraadsheid, door taboes aan te snijden, ethische of morele grenzen te onderzoeken of eigenzinnig afwijkend commentaar te geven op actuele vraagstukken. Soms gebeurt dat ook door te kiezen voor een heel ongebruikelijke vorm. Al deze boeken getuigen van moed en ze breken met heersende opinies en conventies. Tegen de schenen is een vervolg op het succesvolle Op de hielen (2013). De opstellen zijn weer geschreven door onderzoekers die een band hebben met de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit en zijn gewijd aan werk van Hanna Bervoets, Jeroen Brouwers, A.H.J. Dautzenberg, Arnon Grunberg, Kees ’t Hart, Auke Hulst, A.L. Snijders, Ted van Lieshout en Margot Vanderstraeten.

 

Zie ook de website van Vantilt.

football2

Een voetnoot bij de toekomst van de letterkundige neerlandistiek

‘we gaan vooruit. We ontwennen, spelen vroegertje’
uit: Anne Vegter, Wat helpt is een wonder (2017)

 

Wat is toekomst anders dan de uitdrukking van een verlangen naar een nieuw begin, het uitproberen van een andere loop der dingen? ‘De moderne tijd zet zijn kaarten (…) uitdrukkelijk op vernieuwing in plaats van herhaling’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd (2014), ‘dit is de tijd van beginnen.’ Aan die tijd is volgens Hans Ulrich Gumbrecht (en hij bouwt daarbij voort op Kosellecks historisering van het historisch bewustzijn) een einde gekomen. ‘For us the future no longer presents itself as an open horizon of possibilities; instead it is a dimension increasingly closed to all prognoses – and which, at the same time, seems to draw near as a menace’. Tussen het verleden dat ons overspoelt, en dat we als een malle proberen te conserveren en annexeren, en de bedreigende toekomst (het ijs op Antarctica smelt nú), is het heden getransformeerd tot een (in beide richtingen) uitdijend landschap, tot iets wat Gumbrecht our broad present noemt. Hoe in dit expansieve heden iets over de toekomst te zeggen zonder al te naïef een nieuw begin af te roepen? Misschien dat het graven in het niet al te verre verleden mij daarom zo vruchtbaar overkomt, namelijk als een handeling die wel degelijk nieuwe scenario’s mogelijk maakt…

 

Welke kant de letterkundige neerlandistiek in de komende 25 jaar op zal gaan weet ik niet, maar wat een blik op de ontwikkeling van de discipline laat zien is dat er een duidelijke cyclische beweging is. Een periode van polarisatie wordt afgelost door een periode van verbinding, waarna volgende polarisatie volgt. Een dergelijke observatie valt tevens te herkennen in de slotbijdrage van J.J.A. Mooij voor de bundel Vormen van literatuurwetenschap. Moderne richtingen en hun mogelijkheden voor tekstinterpretatie (1985). In voetnoot 9 van zijn artikel ‘Eenheid en veelheid in de literatuurwetenschap’ geeft Mooij een ultrakorte schets van de ontwikkeling van de literatuurstudie. Dat is op zich al interessant (de geschiedenis van de discipline kan blijkbaar worden samengevat in een voetnoot), maar hier in het bijzonder omdat Mooij er een uitspraak over de toekomst aan verbindt. Na in de lopende tekst te hebben opgemerkt dat de literatuurstudie perioden van openlijke twist kent, stel hij in de voetnoot:

 

Werpt men een terugblik op de laatste honderd jaar, dan gaat het vooral om 3 perioden: de jaren omstreeks 1900/1910, omstreeks 1930 en omstreeks 1960/1970. De eerste periode werd gekenmerkt door de wending van positivisme naar Geistesgeschichte en door de invloed van Dilthey. De tweede door de wending naar analyse en nauwgezette interpretatie (New Criticism: werkinterpretatie), door het vroege structuralisme én door de invloed van de politieke ontwikkelingen in Duitsland. De derde door de discussies rond neo-positivisme, kritisch rationalisme, neo-hermeneutiek en neo-marxisme, alsmede door de botsing tussen de (al dan niet structuralistische) autonomiegedachte en de opkomende receptie-esthetica. Rekenkundig zou men zeggen dat er over ongeveer een jaar of 10 een nieuwe methodenstrijd te verwachten is.

 

Zou deze logica gelden, dan zou dat inhouden dat wij nu langzaam afsteven op een nieuwe ‘twistrijke periode’, die zo rond 2030 op een hoogtepunt zal zijn. Om wat voor twist zou het kunnen gaan? En welke verbindingen zijn er na die polarisatiepiek voorstelbaar?

 

Het zou allicht kunnen gaan om een twist tussen degenen die aan ‘de kant van de literatuur’ staan en hen die aan ‘de kant van de wetenschap’ staan, waarbij wetenschap hier staat voor het wetenschapsbeeld dat de bètawetenschappen representeren, een wetenschap die, aldus Willem Otterspeer in zijn pamflet Weg met de wetenschap (2015) gestoeld is op het idee van kennis als ‘zekerheid’ (tegenover de opvatting van kennis die ‘waarschijnlijkheid’ als norm hanteert). De twist zal met andere woorden een nieuwe ronde in het debat tussen hermeneutici en positivisten zijn, of om het in meer contemporaine termen te vatten: tussen degenen die erkennen dat zij deel van het literaire veld (en bij uitbreiding het culturele veld) uitmaken en degenen die trachten dat veld van een afstandje te observeren.

 

Maar wat moet de letterkundige als het literaire veld, en die kans is aanzienlijk, over 25 jaar helemaal niet meer bestaat? Wat als hij moet constateren dat ‘het literaire veld’ behoort tot een bepaald tijdsgewricht en inmiddels niet meer is dan een construct van de wetenschap zelf, misschien wel een uiterste consequentie van de autonomiegedachte (impliceert de metafoor van het veld immers niet duidelijke grenslijnen)? Gelukkig hoeft het failliet van het veld nog niet te betekenen dat de literatuur niet bestaat of opgehouden is te bestaan. Literatuur, C. Buddingh’ zei het al met betrekking tot poëzie, ‘is er gewoon, zoals het voetbalspel (…), de Oude Maas of het weerbericht’. Ook buiten het stadion wordt volop gevoetbald.

 

Welke verbindingen zijn er voor te stellen in de gelukzalige, rustige jaren na de storm?

Read More