24 Mammoetwet spotprent gecomprimeerd mozaiek_0

“Mijn opa werd geboren in 1900. Dat maakte het erg makkelijk zijn leeftijd te onthouden – hoewel het niet zoveel uitmaakte hoe oud hij precies was want voor mij was opa Winkler altijd al stokoud. Hij overleed in 1994. Ik was tien. Vandaag had ik een afspraak met meneer Van Hulst, de oudste bewoner van het verzorgingstehuis waar een goede vriend van mij fysiotherapeut is. Meneer Van Hulst is geboren in 1911. Dat betekent dat hij meer dan drie keer zo oud is als ik nu ben. Ik kan mij niet voorstellen hoe oud dat is. Het idee dat iemand al langer dan een eeuw op de aarde rondloopt is amper te bevatten.

Nog op 95-jarige leeftijd schreef Van Hulst een artikel over de dichter Albert Verwey. Hierin betoogt hij aan de hand van vele passages uit Verweys gedichten waarin naar ‘het Boek’ wordt verwezen dat Verwey zijn religieuze opvoeding nooit verloochend heeft. Een nogal tegendraadse opvatting. De Tachtigers, waartoe Verwey behoorde, zijn immers de boeken ingegaan als de dichters die Schoonheid op de plaats van God zetten en de dichter tot Christusfiguur maakten. Toen Van Hulst vernam dat er op dit moment door een veel jongere neerlandicus onderzoek wordt gedaan naar Verwey, veerde hij op in zijn rolstoel. Ik kreeg het artikel thuisbezorgd en moest maar eens komen praten.

Read More

Mijn proefschrift is niet alleen ingediend en goedgekeurd, maar ik heb inmiddels ook een datum waarop ik het mag verdedigen!

Dat zal gebeuren op maandagmiddag 15 mei (hoe toepasselijk: de verjaardag van Albert Verwey) om 12.30 precies in de aula van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Wie geïnteresseerd is, is van harte welkom!

johannawesterdijk‘100 vrouwen erbij als hoogleraar’ kopte de Volkskrant afgelopen donderdag op de voorpagina. Van de 4500 hoogleraren die Nederland op het moment telt zijn er 750 vrouw. Dat is minder dan 1 op 5. Met die verhouding is Nederland internationaal ‘hekkensluiter’, vermeldt de krant. Minister Jet Bussemaker wil dit graag veranderen en stelt 5 miljoen beschikbaar voor het benoemen van honderd extra vrouwelijke hoogleraren in 2017. Aan het einde van het jaar zou iedere faculteit in Nederland zo een vrouwelijke hoogleraar méér moeten tellen.

De maatregel is minder spectaculair dan de krantenkop doet vermoeden, zo merkt ook Ger Groot op in Trouw dit weekend. Het gaat namelijk om het bevorderen van ‘geschikte vrouwelijke universitair hoofddocenten’ tot hoogleraar: ‘Er komen dus niet meer vrouwen bij aan de universiteit. Een aantal ervan krijgt alleen een hogere rang’. De maatregel camoufleert volgens hem een veel fundamenteler probleem waar de Nederlandse universiteiten mee kampen, en dat is het gebrek aan doorstroom: ‘de universiteit zit voorlopig nog tjokvol vast personeel – en als er eens iemand vertrekt of met pensioen gaat, wordt zijn plaats wegbezuinigd’. Ook Sijbolt Noorda, oud-rector van de Universiteit van Amsterdam en oud-voorzitter van de VSNU (waar de cijfers over personele bezetting vandaan komen) benadrukt dit punt in de Volkskrant. De man/vrouw-verhoudingen zijn scheef, onderstreept hij, maar men moet niet vergeten dat ‘de hele wetenschappelijke doorstroom is gestagneerd door jarenlange bezuinigingen. Iedereen op de universiteit wacht op promotie, mannen net zo goed als vrouwen’.

In het licht van dit fundamentele probleem zou de maatregel van Bussemaker dus ook kunnen worden gezien als aanzet (hoe klein ook) om de doorstroom te stimuleren (zij het voor een specifieke groep ondervertegenwoordigde wetenschappers). Maar zo ziet Ger Groot het niet. Hij bestempelt Bussemakers 5 miljoen niet alleen als een ‘schijncadeautje’, maar ziet het ook als een overtreding van een van de basisregels van het universitaire spel. Bij aanstellingen van hoogleraren zou ‘de vraag naar ras, geslacht, geloof of nationaliteit’ er niet toe moeten doen, schrijft hij, alleen ‘wetenschappelijke en educatieve uitnemendheid’ mag doorslaggevend zijn voor een benoeming.

Nu denk ik dat er geen wetenschapper is die het hier mee oneens zal zijn, wetenschappelijke en educatieve uitnemendheid moet doorslaggevend zijn. Toch wringt er iets in Groots conclusie, want waarom zou het bevorderen van vrouwen tot hoogleraar inhouden dat deze basisregel met voeten wordt getreden? Met andere woorden, hoe kan het dat de zinsnede ‘bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit naar een vrouw’ impliceert dat kwaliteit als belangrijkste criterium wordt veronachtzaamd? Wat is er mis met diversiteit op de werkvloer als extra doelstelling (zo wijst Robert Vonk in reactie op Ger Groot op het feit dat de ondervertegenwoordiging ook geldt voor wetenschappers met een migratieachtergrond)? Illustreert het gemak waarmee de koppeling wordt gemaakt tussen quotum en kwaliteit niet juist dat het hier om veel meer gaat dan een schijncadeautje?

***

Afbeelding: Johanna Westerdijk (1883-1961), eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland, met mannen en bier. Fotograaf: Nico Schuitvlot. 

0a2009b4-8261-4595-82fb-cb78c1569ec0‘Iedere treinreiziger kent het tafereel van een volle maar eng stille coupé waarin iedereen geconcentreerd op zijn telefoon kijkt: het raam waarachter de wereld voorbijglijdt is verwisseld voor het schermpje waarop zich de virtuele realiteit afspeelt. Deze situatie is exemplarisch voor een diagnose die tegenwoordig vaker wordt gesteld: we durven ons niet meer te vervelen. De eenentwintigste-eeuwse mens hongert naar steeds nieuwe ervaringen, die is het nietsdoen verleerd en het wachten ontwend.

In de eerste serie gedichten van Ontsnappingen, de jongste bundel van Eva Gerlach (1948), bevinden we ons in de trein. Daarmee opent hij precies met zo’n typisch moment van verveling, waaraan je min of meer bent overgeleverd, getuige de passieve constructie in de eerste regel:

Het veld verschuift terwijl je wordt gereden
Dichtbij sneller dan ver, zo verplaatst het zich samen
Naar achteren buiten je oog.

De vijf gedichten in de cyclus ‘trein’ maken echter meteen duidelijk dat je tijdens deze zogenaamd loze momenten plotseling andere dingen beginnen op te vallen. Naast de omgeving, de wereld achter het raam, is dat wat zich in je bewustzijn afspeelt, de binnenwereld die zich toont in de ruimte die de verveling creëert. Uiterlijk lijkt alles stil en rimpelloos, maar vanbinnen dringen zich afwisselend aangename en angstaanjagende beelden op. Een kind speelt onschuldig met zijn handen, imiteert de lijnen van de bergen in het landschap, maar het spel blijkt een bezwering: het durft niet te gaan slapen omdat het vreest dat de trein verongelukt zodra het zijn ogen sluit. Van een liefdevol gearmd stel blijkt de man niet alleen afwezig, maar ook danig in de war: ‘Hij hoort een vogel / zingen in de trein, zegt hij, kanarie’. Dat zijn vrouw zijn arm vasthoudt kunnen we opvatten als een liefdevol gebaar, maar evengoed als een manier om hem in toom te houden.

Dit soort contrasten kenmerken veel van de gedichten in Ontsnappingen en hebben niet zelden een ontregelende werking. Vaak blijkt het een herinnering te zijn die ervoor zorgt dat een bepaald tafereel van connotatie verandert. De trein komt binnen in een donkere stad die tegelijk een ‘stad in vlammen’ is. Het beeld resoneert met de verwijzing naar Graz in het slotgedicht van de serie. Hierin wordt Graz, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebombardeerd, beschreven als een stad waar de bliksem je hoofd in slaat: ‘alles wit als / een derdegraadsverbranding’. Zoals het eerste gedicht eigenlijk al aankondigt: ‘Herinnering maakt de wereld’, en even verderop:

als een belegerd fort wacht herinnering, aan alle
kanten ritselt vergeten, al het bekende
schijnt door, gaat liggen, teert in.

‘Juist als het verstrijken van de tijd maar spaarzaam door gebeurtenissen wordt toegedekt, dringt het zich als zodanig op’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd. Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden. Door Ontsnappingen te laten beginnen met een moment van verveling toont Gerlach op subtiele wijze het grondmotief van deze bundel: ‘tijd’ en de belangrijke rol die het geheugen speelt in het zichtbaar maken daarvan.

Het belang van het geheugen voor het bepalen van een positie in de voortrazende werkelijkheid is een thema dat doorklinkt in Gerlachs gehele oeuvre, dat geregeld bekroond werd. Voor haar debuut Verder geen leed (1979) ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de J.B. Charlesprijs, in 1994 volgde de Jan Campert-prijs voor Wat zoekraakt en in 2000 kreeg zij de prestigieuze P.C. Hooft-prijs toegekend. Dit jaar prijkt Ontsnappingen op de shortlist van de Herman de Coninckprijs die op 24 januari wordt uitgereikt. Een volkomen terechte nominatie. Ontsnappingen is een prachtige en bijzonder gevarieerde bundel, die ogenschijnlijk toegankelijk begint maar je uiteindelijk licht gedesoriënteerd achterlaat. Om wat voor ontsnappingen gaat het hier eigenlijk, en waaruit?’

 

Dit is de opening van een bespreking van Ontsnappingen die ik schreef voor deReactor. Lees de hele recensie hier.

 

2016 bracht veel onverwachte en onaangename gebeurtenissen, maar bleek ook het jaar waarin zich één geplande en heuglijke gebeurtenis voordeed, hoe particulier ook: mijn proefschrift ligt bij de leescommissie! Het wachten is op het oordeel van de hooggeleerde heren en dames…

Iedereen een gelukkig en gezond 2017 toegewenst!

15109441_10101799634979482_5454600455676442129_n

 

 

veldwerk

‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.

In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpunt voor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?

Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.

Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?

Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.

Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.

 

Deze column is geschreven voor de Veldwerk-rubriek van de Wintertuin en verscheen eerder op Wintertuin heeft een verhaal.