Archive

kritiek

veldwerk

‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.

In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpunt voor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?

Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.

Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?

Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.

Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.

 

Deze column is geschreven voor de Veldwerk-rubriek van de Wintertuin en verscheen eerder op Wintertuin heeft een verhaal.

samenwerking

Woensdag aanstaande, 21 september, organiseert PLISA (Platform voor Literatuur en Samenleving) in Brussel een bijeenkomst waarin de samenwerking tussen literatuurkritiek, literatuuronderwijs en literatuuronderzoek centraal staat. De toon is strijdbaar:

Het is tijd voor actie, ook in het veld van de literatuur. Het belang van het geschreven woord hoeft niet meer te worden aangetoond. Het is er gewoon: als vermaak, als schoonheid, als kennis, als vorm van engagement of als nutzondernut. Maar wat verloren is gegaan is de natuurlijke band tussen het onderwijs, de literaire kritiek, de academische studie. Elk van die domeinen ging zijn eigen weg en mede daardoor dreigt de relevantie van literatuur niet langer als evident te worden ervaren.

Tijdens de bijeenkomst tonen de verschillende domeinen wat zij elkaar te bieden hebben. Het doel is uiteindelijk om tot nieuwe voorstellen te komen voor samenwerking tussen kritiek, onderwijs en onderzoek. Ik ben alvast zeer benieuwd naar de voorbeelden van goede praktijken die vertegenwoordigers van de verschillende domeinen uit Vlaanderen zullen tonen.

In november volgt – ook bij deBuren in Brussel – de eerste Dag van de literatuurkritiek waarbij tevens de band met het literatuuronderwijs aangehaald wordt. Centraal onderwerp van deze dag is de vraag hoe literatuurkritiek ingezet kan worden in het middelbaar onderwijs.

 

  • Bekijk hier het programma van de PLISA-bijeenkomst.
  • Bekijk hier het programma van de eerste Dag van de literatuurkritiek.

 

 

‘Hoe kan een criticus of essayist een zo goed mogelijke criticus of essayist worden?’

Deze vraag stelt Huug Kaleis zich in zijn ‘Credo voor eenzame wolven’, de inleiding bij zijn essaybundel Schrijvers binnenste buiten uit 1969. Vanuit het inzicht dat men de wereld niet goed kan waarnemen, zonder dat men eerst de blik op zichzelf heeft gericht, zoekt hij het antwoord in de zelfreflectie. Met instemming citeert hij psycholoog Alexander Mitscherlich (1908-1982) die schreef: ‘Onze kijk op de wereld buiten ons hangt nauw samen met de wijze waarop wij onszelf zien, de scherpte van onze blik voor onze medemenselijke omgeving is afhankelijk van de scherpte waarmee wij onszelf waarnemen.’ De moed tot genadeloze zelfkennis ofwel ‘bewust subjectivisme’ is volgens Kaleis een allereerste voorwaarde voor een essayistische én kritische benadering van literatuur:

‘Men benadert een stuk letterkunde zoals men zichzelf te lijf gaat, met dezelfde doezeligheid of leugenachtigheid, maar ook met dezelfde eerlijkheid, scherpzinnigheid en agressiviteit: men keert schrijvers binnenste buiten met de grondigheid waarmee men eerst zichzelf binnenste buiten heeft gekeerd. Daar liggen de factoren die beslissen over de mate van objectiviteit die men bereikt. De kunst is niet hoe zichzelf er zoveel mogelijk buiten te houden, de grote kunst is zich op de juiste wijze in te zetten.’ (p.12-13)

Deze passage uit Schrijvers binnenste buiten noteerde ik al een tijd geleden en kwam ik vandaag weer tegen bij het opruimen van een stapel papieren. Het is één van die passages die geen plek zal krijgen in mijn proefschrift, zo’n zijweg die je even inslaat, maar waarvan je direct weet dat je niet te ver moet doorwandelen. Dit wist ik vooral omdat deze passage niet zoveel toevoegt aan wat ik reeds had gevonden.

kale001schr01_01_tpg

Kaleis, een toegewijde leerling van de essayist, criticus en latere hoogleraar Hans Gomperts (één van de protagonisten in mijn proefschrift), herhaalt hier de kritiek die zijn leermeester uitte op de literatuurbenadering van de redacteuren van Merlyn. Het ‘bewust subjectivisme’ wordt in stelling gebracht tegenover een benadering die het niet langer over ‘schrijvers’ en over ‘persoonlijkheden’ heeft, maar over ‘teksten’ en ‘structuurelementen’. De ‘mate van objectiviteit’ waar Kaleis in bovenstaand citaat over rept, valt te begrijpen als een directe reactie op de objectiviteitsclaim van redacteur J.J. Oversteegen die met de gerichtheid op de structuur de literatuurbeschouwer (of preciezer, diens persoonlijke opvattingen die niets met de te behandelen tekst te maken hebben) buiten het onderzoek wenste te houden. Waar ‘objectiviteit’ voor Kaleis vooral lijkt samen te hangen met ‘eerlijkheid’, de openheid van de lezer over zijn eigen achtergrond en voorkeuren, daar lijkt het voor iemand als Oversteegen in de eerste plaats te staan voor een gerichtheid op het object, de literaire tekst zelf. Beide literatuurbeschouwers blijken een hele andere opvatting van objectiviteit te hanteren. Hanteren zij misschien ook een andere opvatting van subjectiveit?

Nu ik de passage van Kaleis nog eens lees, en de historische context terzijde schuif, vraag ik mij af: in hoeverre geldt zijn beschrijving enkel de essayistische werkwijze? Noteerde ik zijn citaat misschien omdat ik het zo treffend vond voor het werk van iedere literatuurbeschouwer, ongeacht het genre waarin hij of zij werkt, academisch, essayistisch, literairkritisch. Zoals Oversteegen veel later schrijft in het toch wel vreemde want hybridische boek Anastasio en de schaal van Richter (1985): ‘Iedere onderzoeker is naar mijn oordeel tevens lezer.’ (p.19) Kaleis’ citaat nodigt uit deze constatering verder te trekken, want wat zijn de implicaties van het gegeven dat de onderzoeker tevens lezer is? Wat is de juiste onderzoekende houding of wat is ‘de grote kunst’ van zich ‘op de juiste wijze in te zetten’?

Deze vraag riep bij mij het prikkelende artikel ‘Revanche of conflict?’ (Spiegel der Letteren 56 (4), 2014) in herinnering waarin Sven Vitse en Hans Demeyer pleiten voor een ‘agonistische literatuurstudie’. In dit artikel stellen de auteurs onder andere dat ‘wat niet waardevrij is niet waardevrij beschreven kan worden.’ (p.531) Elk literair verschijnsel verhoudt zich expliciet of impliciet tot de heersende maatschappelijke en literaire normen. Voor de beschrijving van dat verschijnsel geldt hetzelfde, want ook die dient zich te verhouden tot wat de auteurs in navolging van Chantal Mouffe de ‘hegemonie’ noemen. Het poëticale karakter van de literatuurstudie – waarmee wordt verwezen naar het gegeven dat de (literatuur)opvattingen van de onderzoeker altijd meespelen in diens onderzoek – kan met andere woorden niet worden ontkend. Vitse en Demeyer stellen dan ook voor dat de literatuurbeschouwer het inherente verband tussen onderzoeker en onderzoeksobject niet tracht te verdoezelen of probeert te overkomen, maar juist expliciteert. Een nieuw pleidooi voor bewust subjectivisme?

 

twee briefschrijvers

Op donderdag 12 november 2015 organiseer ik voor de onderzoeksgroep SCARAB (Studying Criticism and Reception Across Borders) van de Radboud Universiteit een studiedag over kritiek en wetenschap met als thema ‘Interacties tussen publieke en academische literatuurbeschouwing in Nederland en Vlaanderen’. Hoe verhouden de werkzaamheden van de literaire criticus en de literatuurwetenschapper zich tot elkaar? Verschillende sprekers zullen zich tijdens de studiedag  over deze centrale vraag buigen. Zij doen dat vanuit twee invalshoeken:

  1. Vanuit de positionering van de literatuurbeschouwer: hoe positioneert de criticus zich ten opzichte van de academicus, en andersom? Welke wetenschappelijke/ culturele waarden worden ingezet om de eigen positie te markeren en af te bakenen?
  2. Vanuit de institutionele context: hoe wordt het spreken over twee verschillende praktijken ondersteund of misschien wel mogelijk gemaakt door institutionele ontwikkelingen?

Het idee voor de studiedag ontstond tijdens mijn visiting scholarship aan de KU Leuven en ik ben dan ook zeer verheugd om twee sprekers uit Leuven te mogen ontvangen, namelijk Dirk De Geest en Bart Verveack. De Geest zal de verhouding tussen de publieke en academische literatuurbeschouwing in Vlaanderen tijdens het Interbellum belichten. Vervaeck richt zich op de wisselwerking in de naoorlogse periode aan de hand van het werk van Paul de Wispelaere.

Daarnaast zijn er bijdragen van Jos Joosten en Mathijs Sanders, beiden verbonden aan de Radboud Universiteit en de onderzoeksgroep SCARAB. Joosten bekijkt de verhouding literaire kritiek en literatuurwetenschap in Nederland vlak na WOII en Sanders staat stil bij de didactische functie van de literaire criticus/academische literatuurbeschouwer.

Als vijfde spreker nodige ik Gert-Jan Johannes (Universiteit Utrecht) uit voor een bijdrage vanuit wetenschapshistorische hoek. Johannes zal spreken over het omstreden bestaansrecht van de neerlandistieke literatuurbeschouwing.

*

De studiedag staat open voor PhD’s en stafleden van Nederlandse en Vlaamse universiteiten. Ook RMA-studenten geïnteresseerd in het onderwerp zijn van harte welkom. Deelname is gratis. Aanmelden kan door mij een e-mail te sturen via m.winkler@let.ru.nl.

Voor meer informatie over het thema, de sprekers en het programma verwijs ik graag naar de website https://kritiekenwetenschap.wordpress.com/

De studiedag wordt gesteund door het onderzoeksinstituut HLCS van de Radboud en de landelijke onderzoeksschool literatuurwetenschap (OSL).

Zie voor meer informatie ook de aankondigingen van HLCS en OSL.

rilke

Hoe moet je als schrijver omgaan met literaire kritiek? Rainer Maria Rilke (1875-1926) geeft op 23 april 1903 het volgende advies aan de jonge dichter Franz Xaver Kappus (1883-1966):

‘… lees zo min mogelijk esthetisch-kritische geschriften – het zijn ofwel partijopvattingen, versteend en zinloos geworden in hun levenloze verstarring, ofwel slinkse woordspelingen, waarbij vandaag deze mening zegeviert en morgen de tegenovergestelde. Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek. Alleen liefde kan ze omvangen, bewaren en recht doen wedervaren. – Geef telkens uzelf en uw gevoel gelijk tegenover iedere soortgelijke analyse, bespreking of inleiding; mocht u toch ongelijk hebben, dan zal de natuurlijk groei van uw innerlijk leven u allengs en mettertijd tot andere inzichten brengen. Laat uw oordeel rustig en ongestoord tot ontwikkeling komen, een ontwikkeling die, zoals iedere vooruitgang, diep van binnenuit moet komen en door niets kan worden opgejaagd of bespoedigd. Alles moet eerst tot wasdom komen en pas daarna worden gebaard.’

Uit: Brieven aan een jonge dichter. Uitgeverij Balans: Amsterdam, 2012. p.24-25.

IMG-20150324-WA0004

Ongeveer een maand geleden verscheen in NRC het artikel ‘Man schrijft de boeken, man bemant de kritiek’ (10/04/2015). Naar aanleiding van de zogenaamde VIDA Count, waarin jaarlijks de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de Angelsaksische literaire wereld in kaart worden gebracht, legde NRC de eigen recensies onder de loep. Hoeveel werden er afgelopen jaar eigenlijk door een man geschreven en hoeveel door een vrouw? En wat is de verdeling als we kijken naar wát er wordt besproken?

Het resultaat was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400). Daarmee komt NRC dichter in de buurt van The New York Review of Books (81% mannelijke recensenten) dan The New York Literary Supplement (48%), overigens het enige papieren medium in het Angelsaksische taalgebied dat een min of meer gelijke verdeling weet te handhaven, aldus VIDA.

Ook wanneer wordt gekeken naar wat er wordt besproken, blijkt de situatie niet veel anders. Zowel in NRCde Volkskrant als Trouw werd het merendeel van de in 2014 besproken boeken geschreven door een mannelijke auteur (respectievelijk 74%, 70% en 65%). De conclusie dat mannen de literaire wereld beheersen ligt met deze cijfers voor de hand.

Scheve verhouding niet standaard

Het is echter niet in alle landen zo dat de literaire kritiek door mannen wordt bepaald. Enkele dagen nadat het artikel in NRC was verschenen, had ik een afspraak met Lina Samuelsson, een Zweedse literatuurwetenschapper die in 2013 promoveerde op Kritikens ordning, een proefschrift over de literaire kritiek in Zweden. Voor haar onderzoek verzamelde Samuelsson voor drie pijljaren (1906, 1956 en 2006) boekrecensies uit de belangrijkste Zweedse dagbladen en literaire tijdschriften. Per jaar bracht zij in kaart waar en hoeveel er gerecenseerd werd, wie er recenseerde en wat er gerecenseerd werd. Vervolgens analyseerde zij welke evaluatiecriteria op een bepaald moment werden gehandhaafd, welke thema’s dominant waren en welke ideeën heersten over de taak en de functie van de criticus.

Een opvallende uitkomst van het kwantitatieve deel van het onderzoek was dat er in 2006 net zoveel mannen als vrouwen literaire kritieken schreven. Ook was het aandeel recensies over boeken van vrouwelijke auteurs flink toegenomen. Dit verraste Samuelsson vooral, vertelde zij mij, omdat de Zweedse literaire kritiek vijftig jaar eerder nog een echt mannenbolwerk was.*

Waarom is die verhouding in slechts 50 jaar zo drastisch veranderd? Volgens Samuelsson vormde het moment waarop Zweedse krantenredacties in de vroege jaren 2000 zelf begonnen te tellen een belangrijke keerpunt. Daarna werd er doelbewust meer gelet op de man/vrouwverdeling van zowel recensenten als besproken boeken. Met verbazing hoorde zij over de zojuist gepubliceerde Nederlandse cijfers. De verhouding zoals zichtbaar in de huidige Nederlandse literaire kritiek was in Zweden simpelweg ondenkbaar geworden.

Leren van Zweden?

Lopen we in Nederland op dit gebied achter? Dat zou goed kunnen. Kijken we bijvoorbeeld naar de garde jonge schrijvers dan kan daar allerminst gesproken worden van mannendominantie. Vrouwelijke auteurs zijn goed vertegenwoordigd in boekhandeltop10’s en nominatielijsten. Als ik optimistisch ben zou ik zeggen dat het enkel een kwestie van tijd is tot ook de kritiek een wisseling van de wacht maakt en er – in navolging van de literaire ontwikkeling – een andere verhouding zichtbaar wordt. Niet voor niets, werden er afgelopen jaar naast kritische kanttekeningen over de scheve sekseverhoudingen ook opmerkingen gemaakt over de ‘middelbare’ leeftijd van de gemiddelde recensent.

Anderzijds meen ik dat de Zweedse situatie heel goed laat zien dat tellen alleen niet voldoende is. Op basis van de cijfers is men het beleid gaan aanpassen en begonnen van bovenaf veranderingen door te voeren. Zo werden niet alleen meer vrouwen aangenomen maar kregen bijvoorbeeld mannelijke recensenten de opdracht typische ‘vrouwenboeken’ te bespreken en moesten vrouwelijke recensenten meer ‘masculiene’ boeken beoordelen, zo schrijft Samuelsson: ‘Att välja manliga recensenter till traditionellt kvinnliga verk kan ha varit ett medvetet agerande för att bryta könsstereotyper.’ (118) Een eenvoudige en doeltreffende maatregel om bestaande stereotypen te doorbreken?

.

.

.

* De rol van de vrouw in de jaren vijftig was wat dat betreft nog slechter dan in 1906, toen de Zweedse literaire kritiek weliswaar sterk gesegregeerd was (vrouwen bespraken kinderliteratuur en de boeken van schrijfsters) maar de man/vrouwverhouding niet uitzonderlijk scheef.

.

Deze column verscheen eerder op Neder-L

Antonie Donker

Ik ben al een tijdje bezig grip te krijgen op deze man: Nico Donkersloot (1902-1965). In de jaren dertig beter bekend als de dichter en criticus Anthonie Donker. In 1930 richtte Donker het literaire maandblad Critisch Bulletin op dat pleitte voor een ‘onpartijdige, samenvattende en bij voorkeur opbouwende critiek’. Donker had een jaar eerder in een interview te kennen geven dat hij de huidige kritiek maar onsmakelijk vond:

‘Het is nu een chaos. Ruzies, bijbedoelingen, partijdige critiek, vertroebeling door politieke factoren, dat alles maakt onze critiek onbetrouwbaar en onsmakelijk. En de goede, ernstige, artistieke krachten zijn verstrooid.’

Een ‘saneering van de critiek’ was volgens Donker dan ook hard nodig.

Donkers pleidooi voor een objectieve, informerende kritiek werd niet door iedereen met enthousiasme ontvangen. Jan Greshoff bijvoorbeeld reageerde fel op Donkers oproep tot ‘saneering’ en meende dat Donkers pleidooi voor een informerende kritiek niets minder betekende dan een knieval voor de lezer. Het zou alleen maar leiden tot nivellering, standaardisering en totale democratisering. ‘Leve de critische eenheidsworst!’, zo vatte Greshoff het standpunt van Donker kernachtige samen.

Opvallend is nu dat Donkersloot in het jaar dat hij deze uitspraken doet en hij ‘objectiviteit’ en ‘onpartijdigheid’ in de kritiek centraal stelt, een proefschrift publiceerde (overigens onder zijn schrijverspseudoniem) waarin hij zich uitgesproken normatief, om niet te zeggen subjectief, uitlaat. De episode van de vernieuwing onzer poëzie 1880-1894 (1929) bevat nogal wat oordelen over zowel literaire werken als over de persoonlijkheid van de kunstenaar.

Met betrekking tot dat laatste punt moet vooral Albert Verwey het ontgelden. In het dichterschap van Verwey wordt volgens Donkersloot namelijk een fataal onderscheid zichtbaar tussen ‘den mensch’ en ‘den artist’. De romantische zelfverheffing van de dichters rond De Nieuwe Gids (zoals Donkersloot de dichters van de Beweging van Tachtig bij voorkeur aanduidde) is bij Verwey verworden tot een gekunstelde pose. Verwey is geen oprechte dichter maar een ‘welbewust acteur’. Om dit proces van bewuste auteursprofilering te karakteriseren gebruikt Donkersloot een term die niet misstaat in een contemporaine letterkundige studie. Donkersloot noemt ‘het voortdurend zichzelf bezig zien, het poseren met zijn eigen dichterschap’ namelijk self-representation.

Een groot verschil met de manier waarop deze term nu wordt gebruikt is de uitgesproken negatieve connotatie die Donkersloot aan de term verbindt. Een auteur die aan self-representation doet, is volgens Donkersloot een poseur, geen ware kunstenaar.

Anno 2015, mag de literatuurwetenschapper onder geen voorwaarde een dergelijke waardering verbinden aan de concepten die hij gebruikt. Maar ook zonder die connotatie maakt het gebruik van de term in recent letterkundig onderzoek volgens mij duidelijk hoezeer we opnieuw geboeid zijn door vragen rond het verschil tussen wat Donkersloot den mensch en den artist noemde: vragen rond authenticiteit en oprechtheid van de kunstenaar en wat op een bepaald moment als een succesvolle of overtuigende ‘zelfrepresentatie’ wordt gezien.

Toen ik de term self-representation aantrof in een letterkundige studie uit 1929 werd ik mij ineens zeer bewust van het feit dat je als modern letterkundige maar weinig leest in het werk van je Nederlandse voorgangers. Het is makkelijk om iets als ‘achterhaald’ en ‘ouderwets’ te bestempelen, en we hebben het liever over ‘nieuwe richtingen’ dan over ‘tradities’, maar hoeveel interessante, eerste stappen richting het onderzoek waarvan we nu menen dat het hot & happening is, vegen we daarmee eigenlijk niet van tafel?

Net zoals er weinig over Donkersloot geschreven is, zijn er weinig afbeeldingen van hem te vinden. De foto hierboven is overgenomen uit een artikel uit 1992 van Henny Taks over Donkers gedicht ‘Ikarus’ (waarvan de eerste strofe door Marsman werd geschreven). In het kader van self-representation is het aardig op te merken dat de afbeelding van Venus (links aan de muur) een mooie verwijzing vormt naar Donkersloots geloof in kunst als drager van klassieke waarden, zie met name zijn publicatie ‘We noemen het literatuur’ (1965). De ongeordende berg papieren op zijn bureau doet denken aan de manier waarop hij zijn gedachten opschreef, namelijk allerminst netjes binnen de lijntjes. Zijn aantekeningen doen eerder denken aan een explosieve vorm van mindmapping.

Deze blog verscheen eerder deze week op Neder-L