Archive

DW B

Hippolyte_Flandrin_-_Young_Man_by_the_Sea_-_WGA07905‘Het was een prachtige partij, een paar uur

was mijn leven niet van mij noch van de wetenschap.

Alsof ik touwtje stond te springen op de maan.’

dag(droom) # 2.608

.

Waar begin je met schrijven over de reeds bejubelde en veel besproken bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer? De bundel is zo rijk aan beelden, referenties, observaties, dromen, absurde beschrijvingen en pakkende regels, dat eigenlijk ieder begin mogelijk is. Er zijn de afgelopen maanden vele momenten geweest waarop ik aan de bundel moest denken en meende dat dit hét aanknopingspunt was waarmee een nieuwe bespreking van Mens Dier Ding zou moeten openen: een aflevering van het spelprogramma ‘De Slimste Mens’ op VIER; een lezing van Pol Hoste waarin hij vertelt over een bezoek aan de Verenigde Staten en hoe hij, wilde hij meer te weten komen over de oorspronkelijke bevolking van Amerika, te horen kreeg dat hij niet bij het National History Museum maar bij het Natural History Museum moest zijn; een regel van Tom Van Imschoot uit het nummer van nY (juli 2014) over uitwegen in de literatuur:

Je ‘ik’ is, net als voor iedereen, je enige transcendentale houvast in een wereld waarin alles vervloeit.

Mens Dier Ding is een tekst met de wonderlijke eigenschap dat iedere eigen ervaring er even makkelijk als eindeloos in resoneert. Een beoordelaar van de Awater Poëzieprijs die dit jaar aan Schaffer werd uitgereikt, noemde de bundel treffend een ‘hallucinant caleidoscopisch meesterwerk’. Het lezen ervan brengt een grote verwarring met zich mee. Mens Dier Ding is ‘verontrustend’ schreven verschillende recensenten. In de woorden van de dichter zelf: ‘De bundel is te veelzijdig, hoop ik’. Is dit wat Brian McHale bedoelde met de tekst als ‘echokamer’?

Hoewel ik in tijden niet zo’n mooie en indrukwekkende bundel heb gelezen, werd ik bij mezelf een nogal laffe reactie op de ongelooflijke veelzijdigheid gewaar. Namelijk, dat ik, om de echo’s te beheersen, teruggreep op begrippen waar ik vertrouwd mee ben geraakt tijdens mijn studie Nederlands. Begrippen als ‘intertekstualiteit’, ‘intermedialiteit’, ‘adaptatie’ en ‘narratieve poëzie’ en het ‘simulacrum’ van Baudrillard moesten mijn bespreking in goede banen leiden. Het leverde een makke beschouwing op waar ik uiteindelijk niet tevreden over was, omdat het een werk betreft dat naar mijn mening terecht wordt getypeerd als ‘vuurwerk’ (VSB-juryrapport) en ‘een gebeurtenis in de poëzie’ (Arie van den Berg).

[…]

.

***

Dit zijn de openingsalinea’s van een essay dat ik schreef over de bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer. Het verscheen deze maand in de jongste aflevering van DWB.

Ik heb lang aan de tekst gewerkt en het meerdere keren herschreven. Pas nadat ik Schaffers proefschrift De geschiedenis van een jonge god: mythe, primordialiteit en de representatie van de archetypische adolescent en jonge man in werken uit de moderne Afrikaanse literatuur en de wereldliteratuur (2002) had gelezen, vond ik een manier om iets nieuws toe te voegen aan de lange lijst besprekingen van Mens Dier Ding.

Tegelijkertijd kwamen er – door het proefschrift en de dichtbundel met elkaar in verband te brengen – vragen naar boven die mij al een tijd bezighouden in mijn eigen promotieonderzoek: hoe kunnen wetenschap en kunst elkaar aanvullen? Wat kan de wetenschap leren van de literatuur, wat de literatuur van de wetenschap? Waar liggen de overeenkomsten, waar de onoverbrugbare kloven? Jagen beide eenzelfde soort kennis na? En wat behelst die kennis dan?

Het essay ‘‘Ik heb mij nog nooit zo bevrijd gevoeld!’ Over het lezen van Mens Dier Ding van Alfred Schaffer’ is te lezen in de papieren versie van DWB 3, 2015.

.

.

***

afbeelding: Hippolyte Flandrin. Jeune homme nu assis au bord de la mer. Figure d’étude (1836) 

.

.

.

Advertisements

fish-net-13262788Vorige maand verscheen het nieuwste nummer van DW B. Het bevat een dossier – of ‘focus’ zoals de redactie het noemt – over de notie van het vangnet in de literatuur:

‘Hoe schrijven zonder vangnet, zonder ironische distantie, zonder metafictionele commentaar die alle kritiek vooraf de mond snoert? Hoe een tekst maken waarin een risico wordt genomen, waarin “de lezer het geluk wordt gegund getuige te zijn van iets dat echt is, gevaarlijk, werkelijk”, zoals samenstellers Christoph van Gerrewey en Daniël Rovers het formuleren? Die wens komt vaak neer op het schrijven van authentieke, urgente ik-teksten, hoe subjectief die termen ook mogen zijn.’

Dit schrijft hoofdredacteur Hugo Bousset in het redactioneel. De focus in dit nummer ligt dus op urgente ik-teksten, teksten die gaan om het leven van de schrijver, ‘wat niet wil zeggen dat er pure autobiografie wordt bedreven’ voegen Van Gerrewey en Rovers meteen toe. Wat bepaalt volgens hen de urgentie van een (ik-)tekst? Enerzijds het verlangen van de schrijver ‘om alles wat werkelijke belangrijk en begerenswaardig en intens is te verwoorden’. Anderzijds gaat het om teksten die op een bepaalde manier onaf zijn, die de lezer de vrijheid gunnen ‘zich op een hoogsteigen en niet vooraf bepaalde manier tot de tekst te verhouden’.

De focus biedt voorbeelden van zulke teksten o.a. van de hand van Patricia de Martelaere (over Rousseau’s Bekentenissen), Zadie Smith (over vreugde, iets anders dan plezier, vertaald door Christoph van Gerrewey), Daniël Robberechts (over het (niet) roken van een sigaret), David Foster Wallace (een vertaling van ‘All that’ door Iannis Goerlandt & Daniël Rovers) en Charles Baudelaire (fragmenten uit diens ‘Journaux intimes’, vertaald door Rokus Hofstede).

Om een mooie notitie uit DW  B van Baudelaire te citeren waarin het ‘werkelijk belangrijke’ benoemd wordt:

13. Haast ons hele leven staat in dienst van het bevredigen van de nieuwsgierigheid naar onnozelheden. Aan de andere kant zijn er dingen die onze nieuwsgierigheid in de hoogste mate zouden moeten prikkelen en waar we, te oordelen naar ons dagelijks doen en laten, volstrekt onverschillig tegenover staan.

Waar zijn onze dode vrienden?

Waarom zijn wij hier?

Komen wij ergens vandaan?

Wat is vrijheid?

Kan vrijheid samengaan met de wet van de Voorzienigheid?

Is het aantal zielen eindig of oneindig?

En het aantal bewoonbare werelden?

Enz., enz.

Voor dit nummer schreef ik het essay ‘Undo/redo: poëzie als herinneren en vergeten’ over Astrid Lampe’s prachtige bundel Rouw met diertjes waarin over rouw geschreven wordt als iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt.

Achteraf gezien biedt de notie van het vangnet met betrekking tot deze bundel een passende invalshoek: in het eerste deel van de bundel, het gelijknamige ‘rouw met diertjes’ lijkt er geen vangnet te zijn, alleen onthechting, en als er ooit een vangnet was dan voelt het niet langer veilig (‘het ons bekende is me vreemd’). In de andere twee delen echter, getiteld ‘Dronken jol’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver’, is er zeer nadrukkelijk een vangnet aanwezig; deze twee delen – die Lampe treffend ‘gesamplede bloemlezingen’ noemde – zijn ontstaan uit het knippen en plakken van regels uit twee bestaande bloemlezingen, namelijk Geboorte van het vers (1994) en Iets dat te groot is om te zien (1991). In hoeverre wordt de genoemde vrijheid van de lezer beperkt of juist vergroot door dit ‘vangnet’ van bloemlezingen uit respectievelijk de moderne Franse en moderne Amerikaanse poëzie?

Verder in dit nummer van DW B: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers, tekeningen van de IJslandse kunstenaar Sigtryggur Berg Sigmarsson en besprekingen van De beloofde dinsdag de nieuwste poëziebundel van Martijn den Ouden (door Jeroen Dera), Sjeumig van Pepijn Lanen (door Emy Koopman en Lisanne Snelders) en de jongste afleveringen van de literaire tijdschriften Deux ex Machina, De Gids en nY (door Sven Vitse).

COVER dw b 2014 2

critiqueHet Vlaamse literaire tijdschrift DW B zet zich sinds 2005 in voor de terugkeer van de literaire kritiek in het literaire tijdschrift. Niet alleen op papier. Op haar website schrijft de redactie:

“De voorbije jaren is het aanbod op het vlak van de gedegen en professionele literaire kritiek erg verschraald in periodieken. (…) Nu internet voor een overweldigend lezerspotentieel zorgt, een publiek dat steeds op zoek is naar meningen, maar voor zijn zoektocht zelden echt wordt beloond, wil DW B alle reeds verschenen (en intussen niet elders in boekvorm gepubliceerde) kritieken integraal online plaatsen, als pdf-bestand. Met een tijdsmarge van één aflevering worden de kritieken online geplaatst.”

De kritieken worden verzameld in de zogenaamde Kritische encyclopedie.

Onlangs is daar mijn essay ‘Down the rabbit hole (dan komt alles goed)’ aan toegevoegd over Hoi feest (2012) van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata (2012) van Lucas Hirsch. Twee zeer uiteenlopende dichtbundels die beide op eigen wijze een specifieke verhouding onderzoeken, namelijk die van de ik tot de ander (in het geval van Deckwitz) en die van de dichter tot de maatschappij (in het geval van Hirsch). In mijn essay probeer ik grip te krijgen op de manier waarop de dichters de genoemde verhoudingen onderzoeken en te bepalen of zij slagen in hun opzet.

Het essay is hier te lezen.

***

afbeelding: Gravure J.W. Kaiser, ill. bij R.C. Bakhuizen van den Brinks artikel ‘Kritiek-Hyperkritiek-Onkritiek’, in De Gids 1839.

Hoi-feest hirsch

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het nieuwste nummer van Dietsche Warande & Belfort dat deze maand verscheen schreef ik een essay over de dichtbundels Hoi feest (2012) van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata (2012) van Lucas Hirsch. Twee heel verschillende bundels waarvan ik in eerste instantie dacht dat het zeer geforceerd zou zijn om ze op elkaar te betrekken maar die, wanneer naast elkaar gelezen, een mooie dialoog aangaan. De opening van het essay (ook hier te lezen op de site van DW B) geeft een eerste aanwijzing in welke richting het tweegesprek gaat:

 

“Wanneer je de trein vanuit Utrecht naar het zuiden neemt en aan de linkerzijde naar buiten kijkt, zie je even voorbij het stationsgebouw een kleine grijze fietsenstalling passeren. Op de achterkant is met witte letters de volgende graffitileus geschreven: ‘Alles komt goed.’ De ‘G’ van ‘goed’ is niet alleen op zijn kop gezet, maar ook gespiegeld. Elke keer als ik de slogan lees, zie ik in de omkering van die ene letter een eigenwijs verzet: al zou de wereld op zijn kop staan en zou het spiegelbeeld van het goede worden getoond, dan nog komt alles goed. Zij het dat dit nieuwe ‘goede’ iets vervreemdends heeft. Het tekstverwerkingsprogramma op mijn computer herkent geen omgekeerde en gespiegelde ‘G’, er moet handwerk aan te pas komen om de leus weer te geven zoals de graffiti op de muur. Ik las in die trein naar het zuiden de jongste bundels van Ellen Deckwitz en Lucas Hirsch en vond in het eigenwijze verzet van de graffiti het element dat beide uiteenlopende bundels met elkaar verbindt.”

 

 

Het vervolg van het essay ‘Down the rabbit hole (dan komt alles goed). Over Hoi Feest van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata’ is te vinden in de papieren versie van DW B 2013 4. De integrale versie komt later online op de site van DW B.

 

Het nummer wordt op vrijdag 11 oktober gepresenteerd in Perdu, Amsterdam.

Zie hier voor het programma.

Extra-tijd-e1350808031625Deze maand verscheen het nieuwe nummer van Dietsche Warande & Belfort. Het dossier ‘Je tikt er tegen en het zingt’ verkent het grensverkeer tussen woord en klank, met bijdragen van o.a. Bart Vervaeck, Hans Demeyer, Katherina Lindekens, Jeroen van Rooij en Geert Beulens.

Jeroen Dera en ik schreven voor de Jonge Wolven-rubriek over authenticiteit en artistieke geloofwaardigheid in de auto-fictionele romans Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg enVSV of daden van onbaatzuchtigheid van Leon de Winter. Hoe moet de lezer de ‘authenticiteit’ die dit werk poogt te bieden begrijpen? En wat zegt het over ons, als wij vinden dat de figuur van de schrijver authentieker is in de fictieve ruimte – de schrijver laat zijn ware zelf zien in de gemaaktheid van de roman – dan in de publieke ruimte?