2016 bracht veel onverwachte en onaangename gebeurtenissen, maar bleek ook het jaar waarin zich één geplande en heuglijke gebeurtenis voordeed, hoe particulier ook: mijn proefschrift ligt bij de leescommissie! Het wachten is op het oordeel van de hooggeleerde heren en dames…

Iedereen een gelukkig en gezond 2017 toegewenst!

15109441_10101799634979482_5454600455676442129_n

 

 

veldwerk

‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.

In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpunt voor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?

Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.

Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?

Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.

Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.

 

Deze column is geschreven voor de Veldwerk-rubriek van de Wintertuin en verscheen eerder op Wintertuin heeft een verhaal.

berard-brom-e1441614391916

In december 1941 houdt de Nijmeegse hoogleraar Gerard Brom een voordracht voor de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Onderwerp van de voordracht is de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Of preciezer, de geschiedenis van de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Brom werkt de lezing uit tot een boek dat in 1944 verschijnt onder de titel Geschiedschrijvers van onze letterkundeHet is één van de vroegste vakhistorische overzichten en is alleen daarom al interessant voor iedere letterkundige om eens in te zien.

Daarnaast is het – als je een beetje door het ouderwetse taalgebruik heen leest – ook heel vermakelijk. Brom geeft namelijk allerminst een neutrale beschrijving van de ontwikkeling van het vak. Zijn doel lijkt vooral te zijn geweest de beperkingen aan te wijzen in de literatuurgeschiedschrijving tot dan toe. Die betreffen niet alleen de fundamentele discussie over de selectie van letterkundige werken (welke wel, welke niet?), maar zijn vaak ook gericht op de persoon van de literatuurhistoricus.

Deze laat zich volgens Brom bijvoorbeeld te veel beïnvloeden door nog levende schrijvers (zo buigt Prinsen al te ‘slaafs voor de literatoren’ wat hem niets anders oplevert dan ‘dat het publiek hem ernstiger nam dan het gilde van vakgenoten’); of hij mist een werkelijk inzicht (Kalff bijvoorbeeld is weliswaar vervuld van nationaal gevoel, maar heeft volgens Brom ‘de diepste kracht in het volksleven het minst begrepen’). Ook ‘geleerddoenerij’ en al te grote zelfverheffing worden bekritiseerd, laatst genoemd aspect vooral met betrekking tot Albert Verwey (waarbij meteen ook de onvermoeibare feitenverzamelaar Te Winkel een veeg uit de pan krijgt): ‘Verschrompelde Jan te Winkel onder de berg notities tot een ijverig kaboutertje, Verwey stond op elke bladzij zijn figuur profetisch te verheffen.’ Een ander verwijt, eveneens gemaakt aan het adres van Verwey maar ook aan dat van Bilderdijk, is het gemis aan humor: ‘Verwey deelde met Bilderdijk, van wie hij zo weinig weten wou, een tekort aan humor en vooral aan zelfironie’.

Hoewel ik Brom zelf ook niet echt kan betrappen op veel humor, presenteert Geschiedschrijvers van onze letterkunde wel een hoop komische letterkundige types:  de publieksgeile letterkundige, de ijverige kabouter, de zelfbenoemde profeet… Daarmee vormt Geschiedschrijvers van onze letterkunde een hele mooie bron voor het in kaart brengen van prototypische functies van academische letterkundigen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt voor schrijvers in het zojuist verschenen boek Schrijverstypen. De moderne auteur tussen individu en collectief (2016). Aan de hand van auteurs als Frederik van Eeden, Marnix Gijsen en Frans Kellendonk worden in dit boek verschillende auteursrollen onder de loep genomen zoals de romantische schrijver, de socialistische schrijver, de schrijver-reiziger, de grootauteur en de schrijver-criticus. Het gaat daarbij niet zozeer om de individuele auteurs — laat staan om hun ‘karaktertrekken’ —  maar om de ‘modellen’ die deze auteurs aanwenden om hun schrijverschap vorm te geven.

Zou het na Kneppelhouts Studenten-Typen (1841) en het net verschenen Schrijverstypen niet aardig zijn om een staalkaart van academische types op te stellen?

We kunnen meteen beginnen bij Gerard Brom, waarover vorig jaar een lijvige biografie is verschenen getiteld Heraut van de katholieke herleving. Ook Brom stond een duidelijk ‘model’ voor ogen, namelijk Johannes de Doper (de titel van de biografie wijst er al op). In navolging van deze ‘Heraut van de Koning’ zag Brom zichzelf graag als de verkondiger van de christelijke leer in katholieke gedaante. Biograaf Paul Luykx beschrijft uitvoerig hoe Brom deze rol invult als wetenschapper én als publieke intellectueel. Met zijn biografie wil Luykx een bijdrage leveren aan ‘de geschiedenis van de katholieken en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving en cultuur’. Daarnaast hoopt Luykx het werk van Brom uit de vergetelheid te halen. Inderdaad worden Broms historische studies op het gebied van literatuur en beeldende kunst amper nog gelezen. Dit hoeft echter niet het lot te zijn van Geschiedschrijvers van onze letterkunde, allicht anders dan Luykx voor ogen heeft, maar ik voorzie een run op dit boekje mocht het ooit tot die typologie van de academische letterkunde komen.

 

3d_heraut_klein-1024x924

 

In de jongste aflevering van Spiegel der letteren verscheen een recensie van mijn hand over de biografie Heraut van de katholieke herleving: Gerard Brom (1882-1959). 

samenwerking

Woensdag aanstaande, 21 september, organiseert PLISA (Platform voor Literatuur en Samenleving) in Brussel een bijeenkomst waarin de samenwerking tussen literatuurkritiek, literatuuronderwijs en literatuuronderzoek centraal staat. De toon is strijdbaar:

Het is tijd voor actie, ook in het veld van de literatuur. Het belang van het geschreven woord hoeft niet meer te worden aangetoond. Het is er gewoon: als vermaak, als schoonheid, als kennis, als vorm van engagement of als nutzondernut. Maar wat verloren is gegaan is de natuurlijke band tussen het onderwijs, de literaire kritiek, de academische studie. Elk van die domeinen ging zijn eigen weg en mede daardoor dreigt de relevantie van literatuur niet langer als evident te worden ervaren.

Tijdens de bijeenkomst tonen de verschillende domeinen wat zij elkaar te bieden hebben. Het doel is uiteindelijk om tot nieuwe voorstellen te komen voor samenwerking tussen kritiek, onderwijs en onderzoek. Ik ben alvast zeer benieuwd naar de voorbeelden van goede praktijken die vertegenwoordigers van de verschillende domeinen uit Vlaanderen zullen tonen.

In november volgt – ook bij deBuren in Brussel – de eerste Dag van de literatuurkritiek waarbij tevens de band met het literatuuronderwijs aangehaald wordt. Centraal onderwerp van deze dag is de vraag hoe literatuurkritiek ingezet kan worden in het middelbaar onderwijs.

 

  • Bekijk hier het programma van de PLISA-bijeenkomst.
  • Bekijk hier het programma van de eerste Dag van de literatuurkritiek.

 

 

FullSizeRender

Begin van dit jaar verscheen bij uitgeverij Polis Onder normale omstandigheden, de officiële dichtbundel van Frank Keizer (eerder verschenen van Keizer de chapbooks Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015) bij uitgeverij Stanza). Voor het jongste nummer van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over deze prachtige en uiterst beklemmende bundel. Ik had liever meer woorden gehad, zodat ik meer passages had kunnen citeren (bijv. ‘ik lig in bed / en verlang naar de ander / die niet naast mij ligt / naast mij ligt de status quo / en zijn inactiviteit en doelmatigheid’ of: ‘een gedenksteen vliegt door de ruiten / van het instituut / het is mijn exemplaar van Pan / waar ik eerst niet doorheen kwam / tot ik het begon te zingen’), of zodat ik had kunnen uitleggen waarom de bundel zo mooi is uitgeven. Ik zou hebben stilgestaan bij de Zwitserse bindwijze, een techniek die je niet veel ziet maar die een groot praktisch voordeel heeft, namelijk dat het boek makkelijk openvalt (en open blijft liggen). De zogenaamde ‘open rug’ die deze bindwijze oplevert – je ziet het bindgaren en de knopen daarin en ook de lijm die het geheel bij elkaar houdt – onderstreept naar mijn idee de uiteenspatting die in Onder normale omstandigheden wordt beschreven, de constructie, de artificialiteit van het 21e-eeuwse zijn. Anderzijds getuigt deze uitgave van een zekere ambachtelijkheid die tegemoet lijkt te komen aan de dichters hang naar een tijd waarin arbeid nog persoonlijk was (‘toen productie nog niet was genormaliseerd’). Subtiel, mooi. (Chrétien Breukers denkt hier overigens anders over, maar hij meent dan ook dat het boekje al bij eerste lezing ‘uit zijn rug brak.)

Uit Awater:

13435325_10209907422302893_267419994440084602_n

 

 

 

veldwerk

Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

 

Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.