Archive

Tag Archives: OSL

twee briefschrijvers

Op donderdag 12 november 2015 organiseer ik voor de onderzoeksgroep SCARAB (Studying Criticism and Reception Across Borders) van de Radboud Universiteit een studiedag over kritiek en wetenschap met als thema ‘Interacties tussen publieke en academische literatuurbeschouwing in Nederland en Vlaanderen’. Hoe verhouden de werkzaamheden van de literaire criticus en de literatuurwetenschapper zich tot elkaar? Verschillende sprekers zullen zich tijdens de studiedag  over deze centrale vraag buigen. Zij doen dat vanuit twee invalshoeken:

  1. Vanuit de positionering van de literatuurbeschouwer: hoe positioneert de criticus zich ten opzichte van de academicus, en andersom? Welke wetenschappelijke/ culturele waarden worden ingezet om de eigen positie te markeren en af te bakenen?
  2. Vanuit de institutionele context: hoe wordt het spreken over twee verschillende praktijken ondersteund of misschien wel mogelijk gemaakt door institutionele ontwikkelingen?

Het idee voor de studiedag ontstond tijdens mijn visiting scholarship aan de KU Leuven en ik ben dan ook zeer verheugd om twee sprekers uit Leuven te mogen ontvangen, namelijk Dirk De Geest en Bart Verveack. De Geest zal de verhouding tussen de publieke en academische literatuurbeschouwing in Vlaanderen tijdens het Interbellum belichten. Vervaeck richt zich op de wisselwerking in de naoorlogse periode aan de hand van het werk van Paul de Wispelaere.

Daarnaast zijn er bijdragen van Jos Joosten en Mathijs Sanders, beiden verbonden aan de Radboud Universiteit en de onderzoeksgroep SCARAB. Joosten bekijkt de verhouding literaire kritiek en literatuurwetenschap in Nederland vlak na WOII en Sanders staat stil bij de didactische functie van de literaire criticus/academische literatuurbeschouwer.

Als vijfde spreker nodige ik Gert-Jan Johannes (Universiteit Utrecht) uit voor een bijdrage vanuit wetenschapshistorische hoek. Johannes zal spreken over het omstreden bestaansrecht van de neerlandistieke literatuurbeschouwing.

*

De studiedag staat open voor PhD’s en stafleden van Nederlandse en Vlaamse universiteiten. Ook RMA-studenten geïnteresseerd in het onderwerp zijn van harte welkom. Deelname is gratis. Aanmelden kan door mij een e-mail te sturen via m.winkler@let.ru.nl.

Voor meer informatie over het thema, de sprekers en het programma verwijs ik graag naar de website https://kritiekenwetenschap.wordpress.com/

De studiedag wordt gesteund door het onderzoeksinstituut HLCS van de Radboud en de landelijke onderzoeksschool literatuurwetenschap (OSL).

Zie voor meer informatie ook de aankondigingen van HLCS en OSL.

Social_network

In het handboek Het leven van teksten (2006) stellen Brillenburg Wurth & Rigney dat sinds de jaren ’70 het besef steeds sterker is geworden dat literatuur bestaat bij gratie van de lezer. De literatuur-wetenschapper is niet alleen geïnteresseerd in de bijzondere structuur van het literaire werk maar vooral ook in wat mensen doen met literatuur. De literatuurwetenschapper houdt zich bezig met méér dan de literaire tekst: hij richt de aandacht op ‘het leven van teksten in de samenleving’ (11) en de manier waarop mensen door middel van verhalen betekenis geven aan de wereld om hen heen.

Deze uitgesproken aandacht voor de cultureel-sociale context van literatuur maakt dat de literatuurwetenschapper (ook als hij het woord niet wil gebruiken) deels socioloog is. Dat was althans de prikkelende openingsstelling van de eerste OSL-bijeenkomst over ‘New Sociologies of Literature’. Als dit waar is, als de literatuurwetenschapper deels socioloog is, wat is dan precies het object van zijn studie? Kunnen we dan nog zeggen dat het studieobject van de literatuurwetenschap ‘de tekst’ is?

De terugkeer naar de tekst impliceert dat we de tekst kwijtgeraakt zijn. Wanneer is dat gebeurt? Een mogelijk antwoord kan gevonden worden in het artikel ‘Everywhere and Nowhere: The Sociology of Literature After ‘the Sociology of Literature’’ (2010). Hierin geeft James F. English een historisch overzicht van de relatie tussen literatuurwetenschap en sociologie vanaf het begin van de jaren ’80, het moment waarop ‘the sociology of literature’ de literatuurwetenschap verovert. Onder invloed van het werk van o.a. Raymond Williams en Stuart Hall wordt literatuur niet langer op zichzelf beschouwd maar geplaatst binnen een breder cultureel veld.

Door literatuur als onderdeel van de cultuur te zien, ging de literatuurwetenschap zich meer en meer richten op de sociologische effecten van literatuur. Benaderingen als het New Historicism en nieuwe onderzoeksgebieden als Queer Studies, Gender Studies en Postcolonial Studies kwamen in deze jaren tot bloei en hadden, volgens English, een duidelijke gemeenschappelijke, sociale missie:

‘to provide an account of literary texts an practices by reference to the social forces of their production, the social meanings of their formal particulars, and the social effects of their circulation and reception.’ (viii) 

English wijst op het markante feit dat het verband met de sociologie als vrij snel niet meer werd geëxpliciteerd, ondanks de wijd verspreide opvatting dat literatuur bestudeert diende te worden als sociaal medium. Geen enkele literatuurwetenschapper zou zich na de jaren ’80 nog literatuursocioloog noemen: the sociology of literature waseverywhere and nowhere’.  Het weren van de term ‘sociologie’ uit de literatuurwetenschap schrijft English toe aan ‘the triumph of critical theory and the paradigm of “critique”’ (vii-viii) die de aandacht vestigden op close reading en esthetic ideology. De blik verbreedde zich, maar wat niet veranderde, was de primaire focus van de onderzoeker, die lag allereerst bij de interpretatie van de literaire tekst. Dit gold voor zowel de New Critics als het onderzoek dat zich ontwikkelde in lijn van de kritische (Marxistische) literatuurtheorie.

Sinds enkele jaren echter wordt het traditionele paradigma van de kritiek volgens English effectief beconcurreerd door benaderingen die meer ‘beschrijvend’ willen zijn. Dit geldt overigens niet alleen voor de literatuurwetenschap maar voor de geesteswetenschappen in het algemeen. Onder andere het werk van de wetenschapssocioloog Bruno Latour (dat ook op de agenda stond van de eerste OSL-bijeenkomst van ‘New Sociologies of Literature’) past in deze tendens van meer beschrijvende wetenschappelijke benaderingen.

In zijn Reassembling the Social (2005) gebruikt Latour de term ‘actant’ (ontleend aan de literatuurwetenschap) als alternatief voor de trem ‘agency’. De term ‘actant’ is volgens hem adequater, omdat het impliceert dat het bestudeerde gedrag afkomstig is van actieve betekenisgevers, niet van poppetjes in een onzichtbare machtsstructuur. We bestuderen geen ‘victims of social structure’ (55) maar willen de actant begrijpen in al zijn (on)berekende complexiteit. Onze taak is niet perse een kritische. Het getuigt niet alleen van een zekere verwaandheid om als wetenschapper te zeggen dat jij de mechanismen van een onderdrukkende sociale structuur (ideologie) bloot gaat leggen, het begrijpen van het subject als effect van een systeem doet ook het onderzoeksobject tekort, stelt Latour, omdat het de actant in een kader dwingt. Voor de literatuurwetenschapper zou dit concreet kunnen betekenen dat we ons rekenschap geven van alle verschillende rollen die een auteur vervult: hij is niet alleen dichter of romancier, maar ook journalist, redacteur of criticus, leraar of copywriter, hij beweegt zich in het politieke of kerkelijke circuit, maar is ook vader, vriend of echtgenoot. ‘[T]o follow the actants themselves’ (12) is volgens Latour dan ook voldoende:

Recording not filtering out, describing not disciplining, these are the Laws and Prohets.’ (55)  

 

De constatering van English dat er op dit moment een verschuiving plaatsvindt van een kritische naar een meer beschrijvende literatuurwetenschap werkt verhelderend voor een antwoord op de vraag wanneer we de tekst zijn kwijtgeraakt. Het vermoeden rijst dat dit samenvalt met de verschuiving van een zogenaamde kritische naar een beschrijvende literatuurwetenschap. Het zou dan niet zozeer gaan om een verlies van de literaire tekst als centraal onderzoeksobject, maar om een behoud van het kritische programma.

In het licht van deze observatie is de afkeer van sociologische benaderingen (inclusief kwantitatieve benaderingen) in de literatuurwetenschap te begrijpen als een noodzakelijke verdedigingsstrategie, aldus English:

‘As the largest discipline in the humanities, and the centre of its interdisciplinary formations, literary studies has shouldered much of the burden of critique and resistance to this encroachment, defending qualitative models and strategies against the naive or cynical quantitative paradigm that has become the doxa to higher eduction managment. Under these institutional circumstances, antagonism towards counting has begun to feel like an urgent struggle for survival.’ (xiii)

De wens om terug te keren naar de tekst is in lijn met deze observatie niet alleen een vraag naar ons object (waar blijft de literaire tekst in het sociologisch georiënteerde literatuuronderzoek?) maar vooral ook een vraag naar de methode (als we alleen maar beschrijven en tellen, waarom zouden we dan literatuur bestuderen? Dan kunnen we het net zo goed hebben over wasmachines en hoe die betekenis aan ons leven geven), de aloude vraag dus of de bestudering van literatuur een eigen, kwalitatieve methodiek dient te hebben.

Maar hoe zit het dan met de literatuurwetenschapper die zich bedient van methodes die, door een gerichtheid op het bijzondere en unieke van een tekst, probleemloos aansluiten bij een kritisch-hermeneutische traditie, maar die zich verder niet bezighoudt met primaire, literaire teksten? Als ik, met andere woorden, achttien dozen ongeordend archiefmateriaal van H.A. Gomperts voorgeschoteld krijg in het Letterkundig Museum en daar dag na dag doorheen ga, voel ik mij zeer sterk ‘teruggaan naar de tekst’. Wat ik echter óók tracht te doen is wat Latour noemt: to follow the actant himself. Het gaat mij om het begrijpen van de manier waarop critici en literatuurwetenschappers zich door de tijd heen gedragen –in deze formulering een typisch sociologische vraag­– en hoe zij het wetenschappelijk onderzoek naar literatuur verantwoorden. Mijn object is zondermeer de tekst en mijn benadering is tekstgericht. Wat wordt er in de roep om een ‘terugkeer naar de tekst’ dan eigenlijk onder ‘de tekst’ verstaan?

*

Brillenburg Wurth, Kiene & Ann Rigney. Het leven van teksten. Een inleiding in de literatuurwetenschap. Amsterdam University Press: Amsterdam 2006.

English, James F. ‘Everywhere and Nowhere: The Sociology of Literature After ‘the Sociology of Literature’’. In: New Literary History, Volume 41, Number 2. Spring 2010. pp. v-xxiii.

Latour, Bruno. Reassembling the Social. An Introduction to Actor-Network Theory. Oxford University Press: Oxford 2005.

Deze tekst is een vervolg op Terug naar de tekst I.

paper4‘If the book no longer exists as a carrier of information, it may exist to distribute something else.’

Irma Boom (bookdesigner/artist)

 

De voorbereiding voor het jaarlijkse Ravenstein Seminar voor promovendi en research master studenten literatuurwetenschap zijn in volle gang. Deze week hebben we een datum geprikt en de themaomschrijving afgerond. Op 5, 6 en 7 februari praten en discussiëren we samen met gevestigde én jonge wetenschappers over:

 

‘MATERIALITY OF LITERATURE’ 

With the digitization of society, the form and function of the book as the central carrier of cultural information is changing rapidly. Nowadays literature and the literary experience have to compete with other media experiences and forms of cultural transmission, such as social media. How do new forms of media influence the structure of our perception? And in relation to literature, how are processes of reading and writing affected by these medial changes? These questions draw our attention to the materiality of literature: the differences (and similarities) between the works of print culture and electronic culture, between the experience of the physical book and the digital artwork and the different ways in which the book can be perceived as a concrete and tangible carrier of information. 

The theme ‘Materiality of Literature’ wishes to place literature within a broader media field and emerging debates on the materiality of culture by focussing on this central question: how can and should literature and its effects be studied in a changing media landscape? With this theme Ravenstein 2014 wishes to address fundamental questions about media history, media specificity and the current form and function of literature.

 

Het Ravenstein Seminar 2014 wordt georganiseerd in samenwerking met de Universiteit Utrecht. Het Ravenstein Seminar is een initiatief van de landelijke Onderzoeksschool Literatuurwetenschap (OSL).

 

 

 

maingueneauMaingueneau ontwikkelde met behulp van centrale begrippen uit de linguïstiek (zoals enonciationshifters en deiktische woorden) een theoretische invalshoek voor het blootleggen van patronen in teksten die breed inzetbaar is. Zowel journalistieke teksten als preken, zowel literaire teksten als politieke speeches, ieder ‘discours genre’ heeft zijn discursieve  parameters maar ook zijn vertrouwde, door traditie gegroeide en bevestigde ‘ethos’ dat ons inzicht kan geven in achterliggende sociaal-culturele normen en waarden.

Maingueneau zal tijdens de masterclass ingaan op het concept van ‘self-constituting discourses’, dat zijn: ‘discourses which claim to be above any other type of discourse’ – denk hierbij aan het wetenschappelijke vertoog, het religieus vertoog of het vertoog over kunst – en hoe deze te analyseren.

De vraag die hij zich daarnaast stelt, is waar discoursanalyse afwijkt en verschilt van de traditionele ‘content analysis’: waarom discoursanalyse toepassen als we voor het interpreteren van perspectief en metaforen ook prima bij de narratologie en structuuranalyse terecht kunnen? Een deel van het antwoord geeft hij in het artikel ‘Analysing self-constituting discourses’ (1999) dat, naast twee andere Engelstalige artikelen van zijn hand, als leesmateriaal dient voor de masterclass:

Even when it is not openly interested in criticizing ideology, discourse analysis, radically, is a critical activity: it affects some basic illusions of speakers – the illusion of saying what they mean, the illusion that the places from which they speak are not constitutive of signification.”

Maingueneau is een van de grote Franse specialisten op het terrein van de discoursanalyse en verbonden aan de Sorbonne (Parijs). De masterclass vindt plaats aan de UvA van 14.00 tot 17.30 en wordt georganiseerd door de OSL.

Zie de website van de OSL voor meer informatie en aanmelding.