Archive

Tag Archives: Blog

n30

‘Hier geen wetenschappelijke verhandelingen of moeilijkdoenerij’ schreef Jeroen Mettes (1978-2006) op zijn blog Poëzienotities.

Op het moment dat Mettes zijn blog begon in 2005 was hij bezig met het schrijven van een proefschrift over poëtisch ritme (The Poetry of the Formless). Poëzienotities werd een plek waar hij zijn gedachten over de recente Nederlandse poëzie publiceerde, niet in de bedachtzame, afstandelijke stijl van de literatuurwetenschapper (‘op mijn blog wil ik eigenlijk niet zo technisch en streng conceptueel zijn als ik denk dat een wetenschapper moet zijn’), maar in een stijl die ‘principieel bevooroordeeld’ is. Op Poëzienotities neemt Mettes met andere woorden stelling. Zijn inzet is daarbij hoog. In de Nederlandse poëzie ziet hij alles gesublimeerd wat hij afschuwelijk vindt aan Nederland, tegelijk verwacht hij juist van de poëzie een verzet tegen de holle woorden en oppervlakkige waarden van de (Nederlandse) neoliberale maatschappij: ‘Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.’

Door Mettes’ dood in september 2006 kwam er een vroegtijdig einde aan de blog.

 *

In 2011 bracht uitgeverij De Wereldbibliotheek het nagelaten werk in boekvorm uit. Onder de titel Weerstandsbeleid werd een uitgebreide selectie uit de blogposts en enkele essays gebundeld. In een tweede deel N30+ werd Mettes’ lange, gelijknamige gedicht gepubliceerd.

*

 Sinds november jongstleden is de website n30.nl online. De site is gewijd aan de nalatenschap en de receptie van het werk van Jeroen Mettes. Meer dan een online documentatiecentrum, biedt de site ook ruimte aan nieuwe bijdragen van dichters, essayisten en literatuurwetenschappers uit Nederland en Vlaanderen die zich door Mettes’ vernieuwende werk aangesproken voelen.

De aanzet voor het Lexicon werd gegeven door de Amsterdamse Stichting Perdu in haar reeks ‘De Nederlandse poëzie in een wurggreep: Mettes-Lexicon I en II’. Dat Lexicon wordt op n30.nl gaandeweg aangevuld met nieuwe bijdragen, terwijl ook (on)gepubliceerde fragmenten uit Mettes’ nalatenschap en uit het onvoltooide, Engelstalige proefschrift The Poetry of the Formless digitaal beschikbaar worden gemaakt. Ten slotte biedt de website een zo volledig mogelijk overzicht van de ontvangst van de postume publicatie Nagelaten werk.

Het werken aan n30.nl (onder redactie van Siebe Bluijs, Piet Joostens, Frank Keizer, Frans-Willem Korsten, Daniël Rovers en Marieke Winkler) gaat komende jaren door. Verschillende auteurs zijn gevraagd nieuwe lemma’s te schrijven. Recent toegevoegde lemma’s zijn van de hand van Dennis Gaens, Astrid Lampe en Cin Windey.

*

Naar aanleiding van de lancering verschenen berichten op o.a. de site van

NRC (‘Website over dichter en criticus Jeroen Mettes gelanceerd’)

VPRO boeken (Mettes de website)

en –gisteren nog– de Standaard (‘Mettes militant’).

800px-BlocksatzIn het voorwoord van zijn boek Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur  (2013) schrijft Thomas Vaessens dat hij specifiek gekozen heeft voor een benadering die een ‘terugkeer naar de tekst’ betekent. ‘[W]aar veel literatuurwetenschappelijk onderzoek de laatste decennia gericht was op de instituties om de literatuur heen (de kritiek, de uitgeverij, het boekbedrijf en het gedrag van verschillende actoren in het veld, waaronder ook de schrijver)’ richt Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur  zich in de eerste plaats op ‘de bijzondere aard, functies en effecten van de literaire tekst.’ (12) In Vaessens’ literatuurgeschiedenis staat met andere woorden niet de context centraal maar de tekst zelf.

Er zijn al langer geluiden te horen die een terugkeer naar de tekst voorstaan. In 1996 schreef Frank Hellemans in Mediatisering en Literatuur. Een moderne, mediavergelijkende literatuurgeschiedenis  bijvoorbeeld dat de aandacht van literatuuronderzoekers al te snel uitgaat naar vormen van ‘afgeleide of secundaire mediatisering’. Die vormen betreffen volgens Hellemans extra-literaire fenomenen die eerder onder de noemer van commercialisering vallen dan onder de noemer cultuur. Het is duidelijk hoe Hellemans deze benadering beoordeelt: ‘het beeld van de schrijver in de media [dringt] het werk als dusdanig op de achtergrond, terwijl precies het literaire werk toch op de eerste plaats datgene is waar het in de literatuur om gaat’.  (13)

Van recentere datum is Daniël Rovers’ essay ‘Let’s talk about text, baby’ verschenen op 30 oktober 2012 op deReactor.  In deze programmatische tekst  wordt o.a. het werk van sociologisch georiënteerde literatuurwetenschappers als Gilles Dorleijn en Jos Joosten onder de loep genomen. Rovers stelt vast: ‘Binnen het vakgebied van Joosten, de Nederlandse letterkunde, hield men zich de laatste twintig jaar bijvoorbeeld steeds minder met de literaire tekst zelf bezig, en onderzocht in plaats daarvan de sociologische inbedding van literaire teksten.’ Volgens Rovers focust dit type literatuuronderzoek zich te eenzijdig op de (sociale) context, te eenzijdig, omdat het ten koste gaat van de aandacht voor de literaire tekst zelf. Deze stelling werd verder uitgediept in een onlangs gehouden debat-avond in Perdu waar onder het thema ‘Radicaal lezen’ naast Rovers, ook Johan Sonnenschein, Aukje van Rooden, Gijsbert Pols en Gaston Franssen hun visie op dit onderwerp naar voren brachten.

Een laatste voorbeeld is de Call for Papers voor het komende Achter de Verhalen congres (26-28 maart 2014). De organisatie van deze vijfde editie van Achter de Verhalen stelt de vraag naar de plaats van de tekst in de modern-letterkundige neerlandistiek. Die vraag wordt zeer specifiek gesteld: moeten teksten ‘hun plaats heroveren in de literatuurstudie’ of  ‘zijn zij nooit weggeweest’ en kunnen zij ‘zonder complexen met andere onderzoeksobjecten’ gecombineerd worden’? In de sessieomschrijvingen komen achtereenvolgens literaire ‘aspecten’ aan bod (stijl, ruimte, personages), verschillende ‘invalshoeken’ (discoursanalyse, ideologiekritiek) en ‘transformaties’ (adaptatie, vertaling, teksteditie). Contextuele aspecten zoals de lezer (receptie-onderzoek) en het literaire veld (institutioneel onderzoek) ontbreken nagenoeg in de sessie-omschrijvingen.

De wens om terug te keren naar de tekst wordt in alle genoemde voorbeelden (meer of minder expliciet) vergezeld van een ‘afkeer’ voor een contextgerichte, in het bijzonder sociologische, benadering van literatuur. Toch is het mij niet altijd duidelijk wat die zogenaamde sociologische benadering waartegen men ageert precies inhoudt en waarom zij een tekstgerichte benadering in de weg zou staan. Zoals James F. English in 2010 al opmerkte in New Literary History:

“There are so many intersections and openings, so many parallel projects of research, so many forms of literary study that rely on sociological thought, and so many forms of sociology that confront the literariness of their own objects and procedures, that the real question today is not whether of even why, but how. How can sociology and literature best take advantage – institutionally as well as intellectually – of their polymorphic and often underacknowledged but nonetheless durable partnership?”

De OSL organiseert vanaf november 2013 de cursus ‘New Sociologies of Literature’ en neemt het citaat van James F. English als leidraad voor de bijeenkomsten. Ik vermoed dat rekenschap van het antwoord op English’ vraag het debat over ‘de terugkeer naar de tekst’ wel eens op een heel ander spoor kan zetten. Na het volgen van deze cursus, of allicht al tijdens, hopelijk dus meer over de terugkeer naar de tekst.

Mijn-leven-is-mooier-dan-literatuur-detailEssayistisch schrijven over literatuur is booming businessOver Jannah Loontjens’ Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013)

 

1. Leven met literatuur 

Jannah Loontjens debuteerde als dichter in 2001 met de bundel Spectroscoop. Een jaar later volgde de dichtbundel Varianten van nu  en in 2006 verscheen Het ongelooflijk krimpen. Naast gedichten schreef zij twee romans: Veel geluk (2007) en Hoe laat eigenlijk (2011). Oorspronkelijk opgeleid in de filosofie koos Loontjens voor een promotietraject in de literatuurwetenschap. In 2012 promoveerde zij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Popular Modernism.

Afgelopen jaar verscheen er niet alleen een volgende dichtbundel (Dat ben jij toch) maar ook de essaybundel Mijn leven is mooier dan literatuur,  volgens de ondertitel een ‘kleine filosofie van het schrijverschap’. Mijn leven is mooier dan literatuur  bevat, zo schrijft Loontjens in het nawoord, ‘juist datgene wat ik niet in mijn proefschrift kwijt kon, maar dat in feite toch de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek vormde.’ (172) In dit boek is –anders dan in haar proefschrift– ruimte voor haar eigen ervaringen als lezer en schrijver, voor jeugdherinneringen en voor perosonlijke interpretaties van literaire werken en films. In het ‘Woord vooraf’ wordt de onderliggende voedingsbodem meteen duidelijk, de overtuiging dat leven en literatuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn: ‘Leven zonder literatuur is voor mij ondenkbaar; hoe we met en in literatuur leven, daar gaat dit boek over.’ (8) Het is een overtuiging die Loontjens herkent bij grote modernistische auteurs als Proust en Kafka.

Waar ik benieuwd naar was voordat ik dit boek ging lezen was hoe Loontjens in Mijn leven is mooier dan literatuur  de middenweg bewandelt tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk schrijven. Is dit boek misschien te beschouwen als een andere manier van ‘populair wetenschappelijk’ schrijven, in die zin dat Loontjens tracht het werk dat zij heeft verricht voor haar promotieonderzoek voor een breder dan strikt-wetenschappelijk publiek bereikbaar te maken? Lukt het haar om een symbiose te vinden of blijven de literaire schrijver en de wetenschapper in haar toch twee verschillende talen spreken? Die laatste vraag werd direct ingegeven door de titel van het boek. Mijn leven is mooier dan literatuur  doet namelijk vermoeden dat het hier om een zeer persoonlijk verslag gaat, een schrijverslogboek misschien, maar de ‘kleine filosofie’ uit de ondertitel wekt daarentegen de suggestie dat er uiteindelijk toch wordt gestreefd naar het doen van algemene uitspraken over het schrijverschap.

2. In gesprek met de vorigen

Mijn leven is mooier dan literatuur behandelt ontzettend veel onderwerpen die alle cirkelen rond de thema’s literair schrijven en schrijverschap. Het onderzoekt niet alleen het standaardbeeld van de schrijver in modernistische literatuur of in recente films als Adaptation en The Hours, maar ook het schrijfproces zelf, het aura van Oprah’s bookclub, het fenomeen ‘vrouwenliteratuur’, het effect van ingrijpende leeservaringen, het belang van branding  van een ‘authentieke’ auteur en het onderscheid tussen populaire en hoge literatuur.

Het eerste deel ‘Begin van een begin’ lijkt gericht op de beginnende schrijver omdat het een eerlijk inkijkje geeft in het schrijfproces. Mooi beschrijft Loontjens hoe de eerste zin van een boek allerminst de eerste zin is:

‘Beginnen is een samenspel tussen vooruitkijken en met een lus vanuit de toekomstverwachting alvast terugkijken naar hoe het begin erbij zal staan als de rest er is. Het is een vooruitlopen op het terugblikken.’ (15)

Zij verduidelijkt dit aan de hand van eigen ervaringen met het schrijven van haar eerste roman Veel geluk  wat de algemene beschrijving van schrijfangst en schrijftwijfel op concrete wijze verheldert. De strekking van dit hoofdstuk doet erg denken aan wat Menno ter Braak schreef over het begin van het schrijfproces, zoals verwoord in de opening van ‘Een schrijver na zijn dertigste jaar’:

‘Wie een boek begint legt zich met de eerste regel vast voor het gehele boek. Ieder schrijver met een schrijvers geweten aarzelt daarom lang voor hij zich op een regenachtige morgen neerzet om die eerste regel te formuleren; hij weet, dat hij niet meer terug kan, dat hij gewetenloos en opzettelijk barok zou moeten zijn om de toon van zijn begin te herroepen.’ (9)

Het is de modernistische twijfel bij uitstek die in deze zin van Ter Braak en in Loontjens hoofdstuk ‘Begin van een begin’ wordt onderzocht en ontleed.

Ook in haar tweede hoofdstuk ‘Invloedrijke leeservaringen’ is de vergelijking met het gedachtegoed van Ter Braak opvallend. Hierin omschrijft Loontjens een goed boek als ‘een goede vriend’ :  ‘omdat ik een goed boek als een goed gesprek kan ervaren’. (60) Het lijkt een herformulering van het Forum-criterium dat de tekst een ontmoeting is met een sterke persoonlijkheid.

Het boek is echter niet alleen een gesprek met de ander die uit de tekst spreekt, maar tevens een gesprek met jezelf. Loontjes laat dit zien aan de hand van een interpretatie van Kafka’s verhaal ‘Huwelijksvoorbereidingen op het land’. De hoofdpersoon Eduard Raban verklaart dat je in een boek juist leest ‘wat je zelf al dacht’. (60) Je herkent in de tekst wat je reeds in gedachten had. Liefde voor boeken blijkt uiteindelijk niets dan eigen liefde. Door het lezen van literatuur, èn door het schrijven lijkt Loontjens te willen zeggen, leren we onszelf beter kennen.

3. Dit is goede literatuur! Misschien..

Minder gestaafd aan de hand van eigen ervaringen, behandelt Loontjens in het derde deel van Mijn leven is mooier dan literatuur de vraag ‘wat is literatuur?’. Hier ontkomt de literatuurwetenschapper Loontjens niet aan het gangbare antwoord binnen die wetenschap: literatuur is dat wat anderen zeggen dat literatuur is. Spannender dan in iedere alinea weer een nieuwe naam te noemen (de referenties lopen van Arie Storm, Ilja Leonard Pfeiffer en Saskia Noort tot Slavoj Zizek, Coen Simon en Andreas Huyssen) was het geweest als Loontjens hier was vertrokken vanuit haar eigen idee van wat literatuur is. Het blijft wat wijfelachtig geformuleerd: literatuur moet geëngageerd zijn maar alleen engagement is niet voldoende, het werk moet niet te particulier zijn maar sommige schrijvers die over kleine strubbelingen schrijven vindt ze wel weer wel interessant. Het gebruik van ‘wellicht’ en ‘misschien’ ontkracht de durf om de grote vraag naar wat goede literatuur is (want dat lijkt de eigenlijke vraag) te stellen:

Wil het intrigeren [dan] is er wellicht enige distantie nodig, een zekere eigenheid, een gevoel voor ironie en misschien een onderzoekende wijze van de werkelijkheid observeren, waardoor er nieuwe onverwachte inzichten worden ontdekt.’ (108)

Voor de literatuurwetenschapper bevat het boek iets te veel verwijzingen naar bekende namen uit de inleidingen literatuurwetenschap zonder echt dieper op de theorieën en visies in te gaan. Wat dat betreft blijft Mijn leven is mooier dan literatuur stoelen op twee gedachten: het schrijverslogboek enerzijds en het proefschrift over modernistische literatuur anderzijds. Maar dit betekent niet dat Mijn leven is mooier dan literatuur de lezer die geïnteresseerd is in literair schrijven en literair auteurschap niet veel te bieden heeft. Integendeel.

Moeilijke vragen die Loontjens bezighouden worden niet geweerd en nodigen uit tot meedenken. De verdienste van Loontjens’ boek is dat ze in zeer heldere taal de dialoog aangaat met de modernistische schrijvers van weleer en hun werk juist betrekt op contemporaine fenomenen die haar als literaire schrijver bezighouden en als lezer interesseren.

4. Een nieuwe ruimte voor het letterkundig essay

Voor de literatuurwetenschapper kan Mijn leven is mooier dan literatuur  tot slot nog op een andere manier de moeite waard zijn. Volgens Loontjens –en hierin staat zij niet alleen– is er op het moment veel vraag naar het delen van schrijf- en leeservaringen, in de vorm van leesclubs of literaire avonden maar ook in de vorm van boeken:

‘Het is opvallend dat in deze tijd waarin cultuurscepticisme lijkt te overheersen en er veel kritiek is op zogenaamde elitaire kunstliefhebbers, de aandacht voor literatuur en literair schrijven in populaire media toeneemt. Boeken- en leesclubs vermenigvuldigen zich en er is een groeiende aandacht voor het literaire schrijven als ‘bezigheid’: zelfhulp-boeken over het schrijven van poëzie, memoires, proza of scenario’s zijn booming business.’ (104)

Die tendens heeft de ruimte voor het essay over lezen en schrijven vergroot, zoals de publicatie van Mijn leven is mooier dan literatuur  eigenlijk zelf al bewijst, maar zoals ook blijkt uit de aankondiging van een schrijver als Joost de Vries die in een recent interview vertelde aan een essaybundel te werken die specifiek gaat over schrijvers en schrijven nu.

Deze recentelijk toegenomen interesse voor literair schrijven en lezen is iets om in de gaten te houden voor de jonge letterkundige of literatuurwetenschappelijke onderzoeker die bezig is met zijn proefschrift. Het kan een verrassend antwoord bieden op de vraag hoe je je als jonge onderzoeker zichtbaar kunt maken én kunt onderscheiden. Iedere promovendus in de letteren ziet zich geconfronteerd met de opdracht om enerzijds het beste proefschrift ooit te moeten schrijven en anderzijds om zich daarbij volledig te conformeren aan de wetenschappelijke etiquette. Als junior-onderzoeker in de academische arena kun je je het simpelweg niet veroorloven hier al te zeer van af te wijken.

In een tijd waarin de geesteswetenschappen het moeilijk hebben hun maatschappelijke positie te verantwoorden en er geregeld gesproken wordt over een vervreemding tussen universiteit en maatschappij (zie bijvoorbeeld Dorsman & Knegtmans 2012 en Boomkens 2008) werpt een zoektocht als Mijn leven is mooier dan literatuur  een verrassend perspectief op de vraag hoe die vervreemding tegen te gaan. In een uitgeefklimaat waarin men zeer pessimistisch is over publicatiemogelijkheden voor letterkundige proefschriften kan het volgens mij allerminst kwaad de mogelijkheid te overwegen juist die zaken die geen plek kunnen krijgen in het proefschrift te gebruiken voor een publiekseditie. Dat hoeft dan overigens niet met de prestigieuze genre-aanduiding ‘een kleine filosofie’, dat kunnen we dan gewoon een essaybundel noemen.

cover JL

***

Deze recensie over Jannah Loontjens. Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013, Ambo Anthos) verscheen eerder op Neder-L.

632-687In november 1958 verscheen, in eigen beheer, het eerste nummer van het literaire tijdschrift Barbarber. De oplage bestond uit 100 gestencilde nummers en de redactie had het goedkoopste en dunste papier gebruikt om de kosten tot een minimum te beperken. De omslag werd gesierd door allerhande gemeenplaatsen zoals ‘zeg dat wel’, ‘zo is dat’, ‘de kop is er af’ en ‘wie zal het zeggen’ waarmee de relativerende houding van het tijdschrift duidelijk werd. Barbarber had niet de behoefte om de ‘oude lyriek’ van de Vijftigers met veel lawaai af te schaffen, zij negeerde haar gewoon.

De drie redacteuren G. Brands, K. Schippers en J. Bernlef besloten het eerste nummer rond te sturen naar verschillende prominente literatoren en kunstenaars, maar ondanks deze publiciteitsstunt vond het eerste nummer nauwelijks weerklank. Wanneer men het eerste nummer van Barbarber nu in handen heeft, is dit goed voor te stellen: de onbenulligheid van de uitvoering doet meer denken aan het uiterlijk van een plaatselijk schoolkrantje dan aan een tijdschrift met een vaste plek in ieder Nederlandse literatuurgeschiedenis. Het is dan ook vanaf het verschijnen van het tweede nummer geweest, wanneer Barbarber zijn kenmerkende formaat van een in de lengte gevouwen foliovel krijgt, dat het de aandacht begint te trekken.

Oud-Barbarber-redacteur K. Schippers is te gast tijdens het festival voor het gesproken woord De geest moet waaien dat van 23 tot en met 26 mei plaatsvindt in Arnhem. Een van de rode lijnen in deze editie van het festival is de vraag hoe het nieuwe te herkennen. Over deze vraag zal Schippers met Peter Verhelst op vrijdag 24 mei spreken. Opvallend is de manier waarop de organisatie de vraag naar het nieuwe benadert. Het lijkt niet alleen een vraag die wordt gericht aan de auteurs op het podium maar die ook direct –in een soort zelfhulp-jargon– aan het publiek wordt gesteld. Zo lezen we in de aankondigingstekst:

Waar moeten we ons tegen afzetten. Het nieuwe dwong altijd het oude ten onder te gaan, maar is dat nog wel zo? Is symbolische vadermoord nog wel mogelijk?’

Een manier om het nieuwe te begrijpen is door het te bezien in tegenstelling tot het oude. Een schrijver kan zich afzetten tegen zijn voorganger en hem symbolisch vermoorden door middel van een ronkend manifest bijvoorbeeld, of, zoals het tijdschrift Gard Sivik deed in de jaren ’60, een afbeelding op de omslag plaatsen van een verkeersbord waarop het getal 50 is doorgestreept. De ontstaansgeschiedenis van Barbarber laat een andere manier zien: je kunt ook om de dominante vader heen manouvreren, hem simpelweg negeren. Die negatie maakt het onderscheid tussen nieuw en oud minder programmatisch. Het onderwerp waarover K. Schippers, als fervent ready made kunstenaar, ongetwijfeld nog andere interessante ideeën heeft. Juist in de experimentele omgang met bestaande (‘oude’) materialen zit voor de ready made kunstenaar immers het nieuwe verborgen.

Op dit punt zou het verschil tussen oudere en nieuwere schrijvers nog wel eens zichtbaar kunnen worden. Waar bij Schippers de zoektocht naar het nieuwe leidde tot experiment en nieuwe uitdrukkingsvormen, lijkt de huidige zoektocht naar het nieuwe vooral gelegen in de manier waarop iemand zichzelf als auteur onderscheidend presenteert. Een opvatting die doorklinkt in de volgende vraag van de festival-organisatie:

De grote rol die de historische avant garde en De Stijl hebben gekregen in de Nederlandse kunsthistorie hebben zij vooral te danken aan hun eigen publiciteitscampagnes.

Hoe val je op?’

Het idee van de Barbarber-redactie om het eerste nummer gratis te verspreiden onder literatuur- en kunstliefhebbers klinkt meer dan vijftig jaar later nog steeds als een goede publiciteitsactie (overigens wordt zij door de redactie nog eens aangehaald in Barbarber  6 waarin een lijst is opgenomen van ‘diegenen die WEL het eerste nummer van Barbarber ontvingen doch die tot nu toe GEEN abonnement namen’). Maar publiciteit alleen was niet genoeg. Er moest een experimentele vorm aan te pas komen om het blad ook daadwerkelijk te laten opvallen.

De vraag naar het nieuwe blijkt uiteindelijk vooral een vraag naar het experiment en waar dat tegenwoordig gezocht en gevonden kan worden. Misschien wel in het ‘oude’ tijdschrift Barbarber?

De geest moet waaien

Festival voor het gesproken woord
van 23 t/m 26 mei in Arnhem
Gesprek tussen K. Schippers en Peter Verhelst over avant-garde en hoe het nieuwe te herkennen, onder leiding van Jannah Loontjes op vrijdag 24 mei. Meer informatie over het programma op http://www.wintertuin.nl/festivals/de-geest-moet-waaien/
Deze blog verscheen eerder op Neder-L.
homo universalis“Meijer & De Knegt ageren net als Hennink tegen de verregaande praktijkgerichtheid van de universiteit die de ‘waardevolle kritische geest’ de das om doet.

Opvallend is dat academische vaardigheden, zoals interpreteren en redeneren en het formuleren van kritiek en zelfkritiek, in hun ogen net zo praktisch zijn als wat de universiteit als ‘praktische vaardigheden’ bestempelt: het schrijven van een sollicitatiebrief, het presenteren of pitchen van een paper en het kunnen anticiperen op de arbeidsmarkt. Er lijkt hier kortom sprake van twee verschillende interpretaties van wat de ‘praktijk’ van de academicus inhoudt. De ene gaat primair uit van een attitude, de andere van een set competenties.

De modelstudent waar alle drie de auteurs het over hebben, wil zich een specifieke attitude eigen maken. Zijn ideaal is de homo universalis of het intellectuele genie. Hij heeft echter het gevoel dat hij slechts beoordeeld wordt op relatief simpele vaardigheden die daar weinig mee te maken hebben, vaardigheden die verkregen kunnen worden door ‘ijverig oefenen’ en door ‘kennisstampen’. Let wel, vaardigheden waarin vrouwelijke studenten over het algemeen beter scoren dan mannelijke studenten. Hennink gebruikt hier niet voor niets het veelbetekenende woord ‘bemoedering’: de universiteit moet niet pamperen maar ballen kweken.”

Op Neder-L schreef ik over de zoektocht naar de ideale academicus (lees hier de volledige tekst). De aanleiding vormde twee recente artikelen van jonge academici: Michiel Henninks ‘De universiteit hoort juist geen praktijkschool te zijn’ verscheen op 11 maart in het NRC. Meijer & De Knegt pleiten voor de terugkeer van de homo universalis op online opinie platform De Fusie.

 

 

PeerJ

‘Een echte vernieuwing in de publicatiestructuur kan volgens mij alleen als er nog een andere maat is op basis waarvan het wetenschappelijke succes van de onderzoeker wordt gemeten. Waarom zouden de ogen zo rigide op de publicatielijst gericht moeten blijven? Waarom de vele andere taken die de academicus verricht buiten beschouwing laten, zoals het organiseren van congressen, het houden van lezingen en presentaties, het leiden van workshops of expertmeetings, het begeleiden van promovendi of bijvoorbeeld het schrijven van een review?’ [fragment]

Op Neder-L verscheen een korte reactie van mijn hand over de toekomst van het wetenschappelijke tijdschrift.