Het monster van Frankenstein als lezer

frankenstein als lezer

Iedereen heeft wel een beeld bij het monster van Frankenstein uit Mary Shelley’s klassieke spookverhaal Frankenstein; or, the Modern Prometheus uit 1818. Het collectieve beeld van het monster is voor een belangrijk deel gebaseerd op de verfilming uit 1931, geregisseerd door James Whale (1889-1957), waarin het monster wordt samengesteld uit de ledematen van opgegraven overledenen en door de mad scientist dr. Frankenstein middels een geleide blikseminslag tot leven wordt gewekt. Deze elementen zijn – net zoals de uiterlijke kenmerken van het monster zoals het hoge voorhoofd en de stalen pin door de nek – ontsproten aan de verbeelding van de filmmaker. In het boek komen ze niet voor. In Shelley’s versie is dr. Frankenstein (Victor) een zeer jonge, leergierige student die vlak voor hij zijn studie aanvangt zijn moeder verliest. Ver weg van zijn ouderlijk huis en in het gezelschap van slechts enkele, oudere natuurkundigen richt hij zich obsessief op de vraag of het mogelijk is dode materie tot leven te brengen. Geïnspireerd door het werk van de occulte schrijver Cornelius Agrippa en de arts-theoloog Paracelsus zoekt Victor twee jaar lang naar het recept voor een levenselixer.

Hoe het monster  ­– in de editie die ik las uit de Oxford World Classic’s series vaak aangeduid als ‘the wretch’, de ellendeling – daadwerkelijk door Victor tot leven wordt gewekt, blijft in nevelen gehuld. Ook details over zijn vreselijke en angstwekkende uiterlijk zijn schaars. Hij is groot en afstotelijk, heeft gelige, soppige ogen en zwarte lippen, maar veel meer laat de auteur eigenlijk niet los. Het wezen, na conceptie wel in staat zich te bewegen maar voor de rest een tabula rasa, blijkt anders dan het collectieve beeld best intelligent. Het leert zichzelf al snel de meest complexe menselijke handelingen, zoals vuur maken, en door het nauwkeurig observeren van enkele inwoners in een afgelegen cottage maakt hij zich vertrouwd met de menselijke omgangsvormen en taal. Tijdens een van zijn nachtelijke wandeltochten op zoek naar plantaardig voedsel en hout treft hij een reistas aan waarin behalve wat kleren ook enkele boeken zitten. Het zijn niet de minste titels die hij als een ‘prize’ meesleept naar zijn schuilplaats. Het gaat om Paradise Lost, Plutarch’s Lives en Sorrows of Werter. Het effect van het lezen van de verhalen is niets minder dan een revelatie:

‘I can hardly describe to you the effect of these books. They produced in me an infinity of new images and feelings, that sometimes raised me to ecstasy, but more frequently sunk me in the lowest dejection.’

De drie boeken hebben zeer uiteenlopende effecten op zijn gemoed. Het lijden van de jonge Werther leert hem een heel nieuw palet aan gevoelens herkennen en toont hem vele, vaak tegenstrijdige manieren om daar mee om te gaan. Het boek maakt dat hij gaat reflecteren op zijn eigen gevoelens en positie. Hoewel hij de beschreven emoties herkent, voelt hij zich tegelijkertijd vreemd aan de mensen waarover hij leest en die hij in werkelijkheid observeert (en dankzij het boek beter begrijpt):

‘I sympathized with, and partly understood them, but was unformed in mind; I was dependent of none, and related to none. (…) My person was hideous, and my stature gigantic: what this did mean? Who was I? What was I?’

Het tweede boek, dat de door Plutarchus verzamelde en geschreven biografieën van nobele Grieken en Romeinen bevat, brengt hem in aanraking met de historische blik en verzet de zinnen van de persoonlijke emoties naar ‘high thoughts’. In de woorden van het monster: ‘he [Plutarchus] elevated me above the wretched sphere of my own reflections, to admire and love the heroes of past ages’. Het politieke en maatschappelijk handelen van beschreven notabelen brengt hem ideeën over deugdzaamheid en moreel besef bij. Stelde Het lijden van de jonge Werther de vraag naar wat de mens is, het leven van Plutarch leert hem hoe de mens zich deugdzaam beweegt tussen andere mensen.

Paradise Lost tenslotte stelt de vraag naar zijn schepping op de voorgrond. Net zoals de andere boeken leest hij Paradise Lost als een waargebeurd verhaal. De kennis van het bestaan van God vervult hem met de grootst mogelijke gevoelens van ontzag en verwondering. Hij beziet Adam niet alleen als een perfect schepsel, maar ook als een wezen dat geliefd wordt door zijn schepper. Wie, vraagt hij zich af, is eigenlijk mijn schepper? Hoe vreselijk moet mijn voorkomen wel zijn dat mijn schepper zich van mij afkeerde? Zijn gevoelens van jaloezie voor de mensen doen hem soms geloven dat niet God maar Satan zijn schepper is.

Hoe heftig het effect van de boeken ook is, ze vormen voor het monster van Frankenstein ongekende ‘treasures’ en het bezitten ervan maakt hem trots en dankbaar. De verhalen brengen hem immers in aanraking met de meest elementaire vragen van het menselijk bestaan en leren hem om zijn emoties te herkennen. Het is dan ook na het lezen van de verhalen dat hij de moed verzamelt om op de mensen af te stappen. Helaas blijkt die ontmoeting veel minder aangenaam dan hij, op basis van zijn ervaring met de mensen in de boeken, durfde te hopen.

 

 

Advertisements

Comments are closed.