Bewust subjectivisme

‘Hoe kan een criticus of essayist een zo goed mogelijke criticus of essayist worden?’

Deze vraag stelt Huug Kaleis zich in zijn ‘Credo voor eenzame wolven’, de inleiding bij zijn essaybundel Schrijvers binnenste buiten uit 1969. Vanuit het inzicht dat men de wereld niet goed kan waarnemen, zonder dat men eerst de blik op zichzelf heeft gericht, zoekt hij het antwoord in de zelfreflectie. Met instemming citeert hij psycholoog Alexander Mitscherlich (1908-1982) die schreef: ‘Onze kijk op de wereld buiten ons hangt nauw samen met de wijze waarop wij onszelf zien, de scherpte van onze blik voor onze medemenselijke omgeving is afhankelijk van de scherpte waarmee wij onszelf waarnemen.’ De moed tot genadeloze zelfkennis ofwel ‘bewust subjectivisme’ is volgens Kaleis een allereerste voorwaarde voor een essayistische én kritische benadering van literatuur:

‘Men benadert een stuk letterkunde zoals men zichzelf te lijf gaat, met dezelfde doezeligheid of leugenachtigheid, maar ook met dezelfde eerlijkheid, scherpzinnigheid en agressiviteit: men keert schrijvers binnenste buiten met de grondigheid waarmee men eerst zichzelf binnenste buiten heeft gekeerd. Daar liggen de factoren die beslissen over de mate van objectiviteit die men bereikt. De kunst is niet hoe zichzelf er zoveel mogelijk buiten te houden, de grote kunst is zich op de juiste wijze in te zetten.’ (p.12-13)

Deze passage uit Schrijvers binnenste buiten noteerde ik al een tijd geleden en kwam ik vandaag weer tegen bij het opruimen van een stapel papieren. Het is één van die passages die geen plek zal krijgen in mijn proefschrift, zo’n zijweg die je even inslaat, maar waarvan je direct weet dat je niet te ver moet doorwandelen. Dit wist ik vooral omdat deze passage niet zoveel toevoegt aan wat ik reeds had gevonden.

kale001schr01_01_tpg

Kaleis, een toegewijde leerling van de essayist, criticus en latere hoogleraar Hans Gomperts (één van de protagonisten in mijn proefschrift), herhaalt hier de kritiek die zijn leermeester uitte op de literatuurbenadering van de redacteuren van Merlyn. Het ‘bewust subjectivisme’ wordt in stelling gebracht tegenover een benadering die het niet langer over ‘schrijvers’ en over ‘persoonlijkheden’ heeft, maar over ‘teksten’ en ‘structuurelementen’. De ‘mate van objectiviteit’ waar Kaleis in bovenstaand citaat over rept, valt te begrijpen als een directe reactie op de objectiviteitsclaim van redacteur J.J. Oversteegen die met de gerichtheid op de structuur de literatuurbeschouwer (of preciezer, diens persoonlijke opvattingen die niets met de te behandelen tekst te maken hebben) buiten het onderzoek wenste te houden. Waar ‘objectiviteit’ voor Kaleis vooral lijkt samen te hangen met ‘eerlijkheid’, de openheid van de lezer over zijn eigen achtergrond en voorkeuren, daar lijkt het voor iemand als Oversteegen in de eerste plaats te staan voor een gerichtheid op het object, de literaire tekst zelf. Beide literatuurbeschouwers blijken een hele andere opvatting van objectiviteit te hanteren. Hanteren zij misschien ook een andere opvatting van subjectiveit?

Nu ik de passage van Kaleis nog eens lees, en de historische context terzijde schuif, vraag ik mij af: in hoeverre geldt zijn beschrijving enkel de essayistische werkwijze? Noteerde ik zijn citaat misschien omdat ik het zo treffend vond voor het werk van iedere literatuurbeschouwer, ongeacht het genre waarin hij of zij werkt, academisch, essayistisch, literairkritisch. Zoals Oversteegen veel later schrijft in het toch wel vreemde want hybridische boek Anastasio en de schaal van Richter (1985): ‘Iedere onderzoeker is naar mijn oordeel tevens lezer.’ (p.19) Kaleis’ citaat nodigt uit deze constatering verder te trekken, want wat zijn de implicaties van het gegeven dat de onderzoeker tevens lezer is? Wat is de juiste onderzoekende houding of wat is ‘de grote kunst’ van zich ‘op de juiste wijze in te zetten’?

Deze vraag riep bij mij het prikkelende artikel ‘Revanche of conflict?’ (Spiegel der Letteren 56 (4), 2014) in herinnering waarin Sven Vitse en Hans Demeyer pleiten voor een ‘agonistische literatuurstudie’. In dit artikel stellen de auteurs onder andere dat ‘wat niet waardevrij is niet waardevrij beschreven kan worden.’ (p.531) Elk literair verschijnsel verhoudt zich expliciet of impliciet tot de heersende maatschappelijke en literaire normen. Voor de beschrijving van dat verschijnsel geldt hetzelfde, want ook die dient zich te verhouden tot wat de auteurs in navolging van Chantal Mouffe de ‘hegemonie’ noemen. Het poëticale karakter van de literatuurstudie – waarmee wordt verwezen naar het gegeven dat de (literatuur)opvattingen van de onderzoeker altijd meespelen in diens onderzoek – kan met andere woorden niet worden ontkend. Vitse en Demeyer stellen dan ook voor dat de literatuurbeschouwer het inherente verband tussen onderzoeker en onderzoeksobject niet tracht te verdoezelen of probeert te overkomen, maar juist expliciteert. Een nieuw pleidooi voor bewust subjectivisme?

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s