Niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

Martha Nussbaum komt naar Nederland. Haar boek Not for profit: Why Democracy needs the Humanities  (2010) staat centraal tijdens het congres ‘Arts and Humantities: Of(f) Course’ dat wordt gehouden rond haar bezoek aan de universiteit van Groningen op 25 en 26 juni. Ik gebruikte haar pleidooi voor de geesteswetenschappen bij een lezing over mijn onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present.  De lezing vond op 28 april plaats aan de Karelsuniversiteit te Praag voor Tsjechische studenten Nederlands en studenten Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen:

kaftnussbaum

Literatuurwetenschap: niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

De geesteswetenschappen verkeren in zwaar weer. In een maatschappij waarin het gaat om het behalen van maximale winst scoren zij beneden de maat.* Iedereen die een letterenstudie gaat doen weet het; je doet dat immers niet omdat je er rijk van gaat worden.

In de 19e eeuw stonden de geesteswetenschappen in hoog aanzien en vormden zij zelfs een voorbeeld voor andere wetenschappelijke disciplines, met name de filosofie en de geschiedwetenschap vervulden een voorbeeldfunctie. Zij hadden hun eigen methode ontwikkeld, de methode van het ‘verstehen’ (begrijpen, of inleven) tegenover de methode van de natuurwetenschappen die gericht was op verklaren en het blootleggen van universele wetten en patronen. De methode van het verstehen  had de geesteswetenschap een eigen identiteit en bestaansrecht gegeven.

Dat oorspronkelijke aanzien is tegenwoordig flink gedaald. Kleine letterenstudies, zoals Romaanse talen, theologie, kunstgeschiedenis, maar inmiddels ook de neerlandistiek zien hun studentenaantallen teruglopen en ook op de middelbare school is het profiel ‘cultuur en maatschappij’ niet erg gewild.

De geesteswetenschappen moeten zich dan ook voortdurend rechtvaardigen, de vraag wat het nut is van de geesteswetenschappen wordt keer op keer gesteld. Reden voor de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum om een pamflet te schrijven: Niet voor de winst  (2010, vertaling 2011). Hierin is zij zeer kritisch op de ontwikkeling in onderwijs en onderzoek aan de universiteit die het meetbare en winstgevende tot leidraad maakt van haar praktijk:

‘Dorstend naar nationaal gewin ontdoen vele landen en de daarin bestaande onderwijsstelsels zich achteloos van allerlei competenties die noodzakelijk zijn voor het levend houden van democratieën. Als deze trend zich voortzet, zullen landen overal ter wereld binnenkort generaties nuttige machines afleveren in plaats van volwaardige burgers die instaat zijn om zelfstandig te denken en zich kritisch op te stellen ten aanzien van de traditie’. (16)

Het aanzien en de positie van de geesteswetenschappen mag in vergelijking met de 19e eeuw zijn veranderd, de vraag naar het nut van de geesteswetenschappen is echter allerminst nieuw. Al sinds haar ontstaan moeten menswetenschappen zich verantwoorden ten opzichte van de natuurwetenschappen. En dat niet alleen: ook ten opzichte van het publieke veld moeten zij zich keer op keer legitimeren.

Het onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  komt voort uit de vraag hoe literatuurwetenschappers zich legitimeren ten aanzien van dit publieke veld, dat zijn: de niet-academische literatuurbeschouwers, de literaire critici die werkzaam zijn in publieke media zoals kranten en tijdschriften. In het onderzoek wordt gekeken hoe de literatuurwetenschap zich door de tijd heen positioneert ten aanzien van dit publieke veld: waarom hebben we eigenlijk een literatuurwetenschap nodig als er ook een literaire kritiek is, die werken bestudeert, ze in historische context plaatst en analyseert op belangwekkende motieven en thema’s én ze bovendien ook nog beoordeeld?

De relatie tussen literatuurwetenschappers en literaire critici is in Nederland altijd precair gebleken. Dit is anders dan in andere Europese landen waarbij de twee praktijken veel meer in elkaar overlopen (denk aan de Engelse term ‘criticism’  die zowel voor wetenschapper als voor criticus van toepassing is). In Nederland vliegen de wetenschapper en de criticus elkaar eens in de zoveel tijd in de haren.

Het standaardbeeld van de wetenschapper is dat hij objectief, neutraal en onbevooroordeeld is, tegelijkertijd lijkt dit beeld niet helemaal te passen in een wetenschap die unieke kunstwerken bestudeert en te maken heeft met kwesties van smaak. In de keuze voor een bepaald werk of een bepaalde auteur zit immers al een zekere voorkeur besloten. Zelden komt het voor dat een studie wordt geweid aan een werk of auteur waarvan de beschouwer het niet de moeite waard vindt er tijd in te steken. Vanwege deze normatieve houding is er altijd een zekere mate van subjectiviteit aanwezig in de literatuurwetenschap.

Het is interessant om te zien dat die normatieve houding in de 19e eeuw juist werd gewaardeerd en, sterker nog, zij bepaalde deels de kracht van de geesteswetenschappen. Zo stelde de eerste hoogleraar Nederlandse letterkunde Jonckbloet in 1877 toen de letterkundige neerlandistiek net bestond, dat de letterkundige twee taken had. Allereerst was dat causale relaties in kaart brengen: het bestuderen en analyseren van de literatuurgeschiedenis naar oorzaak en gevolg en ten tweede betrof dit het geven van kritiek: is het werk goed of niet? Voor Jonckbloet hield dit in dat het werk moest bijdragen aan nationaliteitszin.

Tegenwoordig lijkt het innemen van een normatieve houding bijna een doodzonde, zie bijvoorbeeld de discussies die ontstonden naar aanleiding van De revanche van de roman  (Vaessens 2009) en Staande receptie  (Joosten 2012). Wetenschappers en critici benadrukken hierin dat wetenschap objectief, controleerbaar en herhaalbaar dient te zijn. Het adagium “meten is weten” bepaalt de wetenschappelijke arbeid op dit moment, of in Nussbaums woorden: wetenschappers moeten allemaal identieke machines zijn. Toch is het juist die kleine subjectieve ruimte die de geesteswetenschap spannend en levendig maakt, om maar niet te zeggen creatief.

Het project Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  kijkt naar een aantal Nederlandse letterkundigen die juist die subjectieve ruimte in de literatuurwetenschap benadrukten. Het zijn niet toevallig wetenschappers die zich verdienstelijk hebben gemaakt in het publieke veld, als criticus, als dichter of als essayist. Denk daarbij aan Albert Verwey (1865-1937), bekende dichter en criticus van de beweging van Tachtig, die op latere leeftijd hoogleraar werd in Leiden. Hij presenteerde zichzelf als ‘artist-historicus’, iemand die het persoonlijk ‘kritizeren’  en het algemene ‘karakterizeren’  in zich verenigd. Of Hans Gomperts (1915-1998), de belangrijkste criticus van de jaren ’50 die in 1965 hoogleraar werd. De vraag wat de ideale verhouding is tussen kritiek en wetenschap heeft hem zowel als criticus als wetenschapper beziggehouden. Wat dreef hen in hun wetenschappelijke arbeid en in het werk dat zij buiten de academie afleverden? Hoe bakenen zij hun wetenschappelijke werk af van hun kritische activiteiten? En welke normen en waarden ten aanzien van de literatuurwetenschap liggen daaraan ten grondslag? De focus van het project ligt bij het onderzoeken van die vragen op een analyse van meta-kritische uitspraken, die uitspraken die iets zeggen over de eigen praktijk.

De uitdaging van mijn onderzoeksproject is om de verschillende case studies  die ieder in hun eigen tijd en eigen context begrepen moeten worden uiteindelijk met elkaar te vergelijken en grote lijnen zichtbaar te maken in de ontwikkeling van de literatuurwetenschap in Nederland en de status van de geesteswetenschappelijke kennis in het algemeen. Die lijnen lijken op dit moment twee kanten op te wijzen.

Enerzijds is sprake van een steeds groter wordende kloof tussen het publieke en academische veld. De oprukkende verwetenschappelijking of ‘sciëntisme’  (term overgenomen uit Verhaeghe 2012) marginaliseert de geesteswetenschappen. De literatuurwetenschapper houdt zich, niet tot ieders genoegen overigens, met totaal andere aspecten van de literatuur bezig dan de criticus. Niet het werk zelf, maar de manier waarop zij gebruikt wordt vormt de primaire focus van de hedendaagse literatuurwetenschap.

Anderzijds is er een ontwikkeling zichtbaar die een brug probeert te slaan tussen de maatschappij en geesteswetenschappen. Er klinkt een roep om de zogenaamde ‘vergeten wetenschappen’ (Bod 2010) weer op de agenda te zetten en mensen als Martha Nussbaum stellen dat de kritische reflectie van de letteren onmisbaar is voor een democratische en menselijke samenleving. Literatuurstudie helpt ‘verwondering, empathie, verbeeldingskracht en inlevingsvermogen ontwikkelen’ stelt Martha Nussbaum in Niet voor de winst.  Verwondering of verbeeldingskracht zijn lastig te meten, en er zijn ook geen formules voor op te stellen, dit maakt de literatuurwetenschap misschien minder nuttig  dan de bedrijfskunde maar maakt het haar ook minder waard?

*zie bijvoorbeeld Boomkens ‘Topkitch en Slow Science: Kritiek van de academische rede’ (2008); Lorenz ‘If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich?’  (2008) en Dorsman & Knegtmans ‘Universiteit, publiek en politiek. Het aanzien van de Nederlandse universiteiten 1800-2010′ (2012).

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: